wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2e klas - checkvragen §5.1

Total questions: 10

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je het jong van een Maleise tapir en een volwassen dier. Heeft  het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier? En hetzelfde fenotype?

a)

Niet hetzelfde genotype en ook niet hetzelfde fenotype

b)

Wel hetzelfde genotype, niet hetzelfde fenotype

c)

Niet hetzelfde genotype, wel hetzelfde fenotype

d)

Wel hetzelfde genotype en ook hetzelfde fenotype

2.

Een gen is

a)

Alle erfelijke eigenschappen

b)

Een erfelijke eigenschap

c)

Al het DNA in een cel

d)

Al het DNA van een individu

3.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

4.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

5.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

6.

Wat zijn chromosomen?

a)

Langgerekte draden die grotendeels uit DNA bestaan.

b)

DNA

c)

Stukjes van het DNA met een specifieke eigenschap.

7.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

8.

Zitten er genen voor speeksel in cellen van de lever?

a)

Nee, die zijn daar niet nodig

b)

Ja, de lever breekt het speeksel weer af

c)

Ja, maar hier zijn deze genen inactief

9.

Wat is het genotype?

a)

Alle informatie voor de erfelijke eigenschappen van een individu

b)

Alle waarneembare eigenschappen

c)

Al het DNA in één geslachtscel

d)

Een gedeelte van een chromosoom dat informatie bevat voor een eigenschap

10.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit