wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

12/13

Total questions: 148

Worksheet time: 4hrs 42mins

Name
Class
Date
1.
Homeostase
a)
= gelijk blijven
b)
= gelijk blijven van het milieu
c)
= veranderen van milieu
d)
= gelijk blijven van inwendige milieu
2.
Diffusie = het verplaatsen van stoffen op basis van concentratieverschillen
a)
Juist
b)
Onjuist
3.

Je rent om de bus te kunnen halen. Aan welke stof gaat er dan een tekort ontstaan?

a)

Glucose

b)

Glucagon

c)

Glycogeen

d)

Insuline

4.

Het stabiel zijn van het interne milieu heet?

a)

Homeostase

b)

Effectoren

c)

Regeling

5.

In de lever wordt glucose opgeslagen als..

a)

Glucagon

b)

Glycogeen

c)

Insuline

6.

Dit hormoon zorgt ervoor dat je bloedsuiker stijgt.

a)

Insuline

b)

Glycogeen

c)

Glucagon

d)

Glucose

7.
Groep zenuwcellen in de hersenstam die de ademhaling regelt.
a)
ademcentrum
b)
homeostase
c)
tracheeën
d)
trilhaarcellen
8.
het aantal ademhalingen per minuut
a)
ademvolume (VT)
b)
ademfrequentie
c)
diffusiecoëfficiënt
d)
vitale capaciteit (VVC)
9.
vertakkingen van de hoofdbronchiën, omgeven door kraakbeenringen
a)
bronchiolen
b)
bronchiën
c)
longblaasjes (alveoli)
d)
tracheeën
10.
kleinste vertakkingen van de bronchiën, zonder kraakbeenringen
a)
bronchiolen
b)
bronchiën
c)
longblaasjes (alveoli)
d)
tracheeën
11.
pCO2
a)
diffusiesnelheid
b)
ventilatiebewegingen
c)
CO2-concentratie
d)
vitale capaciteit (VVC)
12.
constante in de wet van Fick , hangt onder andere af van de temperatuur.
a)
diffusiecoëfficiënt
b)
diffusiesnelheid
c)
dode ruimte
d)
interpleurale ruimte
13.
Het aantal deeltjes dat per seconde passeert.
a)
diffusiecoëfficiënt
b)
diffusiesnelheid
c)
totale capaciteit
d)
vitale capaciteit (VVC)
14.
De ruimte in de luchtwegen waar geen uitwisseling van gassen plaatsvindt.
a)
tracheeën
b)
interne milieu
c)
dode ruimte
d)
interpleurale ruimte
15.
Het in stand houden van een dynamisch evenwicht rond een bepaalde norm.
a)
homeostase
b)
diffusiecoëfficiënt
c)
negatieve terugkoppeling
d)
ventilatiebewegingen
16.
Delen van het lichaam, die geen direct contact hebben met de buitenwereld. Bestaat uit cellen, bloed, weefselvloeistof en lymfe.
a)
trilhaarcellen
b)
dode ruimte
c)
interne milieu
d)
interpleurale ruimte
17.
ruimte tussen longvlies en borstvlies (de pleurae), gevuld met een dunne laag vloeistof
a)
bronchiolen
b)
dode ruimte
c)
longblaasjes (alveoli)
d)
interpleurale ruimte
18.
‘zakjes’ van dekweefsel in de longen gevuld met lucht aan het einde van een bronchiole
a)
tracheeën
b)
bronchiolen
c)
kieuwen
d)
longblaasjes (alveoli)
19.
spieren die een koepelvormige scheidingswand tussen borst- en buikholte vormen
a)
binnenste tussenribspieren
b)
middenrifspieren
c)
buitenste tussenribspieren
d)
nekspieren
20.
Proces dat de afwijking van de norm tegengaat.
a)
homeostase
b)
diffusie
c)
negatieve terugkoppeling
d)
osmose
21.
de hoeveelheid lucht die in de longen achterblijft bij een zo diep mogelijke uitademing
a)
vitale capaciteit (VVC)
b)
totale capaciteit
c)
restvolume (Vrest)
d)
COPD
22.
de totale hoeveelheid lucht in de longen
a)
vitale capaciteit (VVC)
b)
totale capaciteit
c)
restvolume (Vrest)
d)
dode ruimte
23.
Cellen met fijne uitlopers, ciliën (trilharen) trilharen (ciliën), in de binnenbekleding van je luchtwegen; transporteren slijm met daarin vastgeplakte deeltjes naar de keelholte.
a)
zenuwcellen
b)
slijmcellen
c)
trilhaarcellen
d)
monocyten
24.
spierbewegingen betrokken bij het verversen van lucht in je longen
a)
perstaltische bewegingen
b)
ademfrequentie
c)
diffusiecoëfficiënt
d)
ventilatiebewegingen
25.
De maximale hoeveelheid lucht die je na een maximale inademing kunt uitademen, het maximale ademvolume
a)
vitale capaciteit (VVC)
b)
totale capaciteit
c)
restvolume (Vrest)
d)
COPD
26.
Benoemt de factoren die een rol spelen bij de gaswisseling. De diffusiesnelheid is evenredig is met het diffusieoppervlak, het concentratieverschil tussen de hoeveelheid moleculen aan weerszijden van het diffusieoppervlak, het diffusiemedium en de temperatuur en omgekeerd evenredig met de diffusieafstand.
a)
wet van behoud van energie
b)
wet van Newton
c)
wet van Fick (n = DA*dc/dx)
d)
wet van Pascal
27.

Hormonen worden gemaakt in:

a)

Endocriene klieren

b)

Exocriene klieren

c)

Doelwitorganen

d)

Homeostase

28.

Oxytocine en ADH worden aangemaakt in de ...

a)

Adenohypofyse

b)

Neurohypofyse

c)

Hypothalamus

d)

Nieren

29.

Releasing en Inhibiting hormonen worden aangemaakt in de hypothalamus en hebben effect op de ...

a)

neurohypofyse

b)

adenohypofyse

c)

schildklier

d)

nieren

30.

Hier is een terugkoppeling te zien. Welke soort?

a)

Negatieve terugkoppeling

b)

Positieve terugkoppeling

31.

Welke hormonen maken na koppeling met een receptor altijd gebruik van een secundaire boodschapper (second messenger)?

a)

Steroïdhormonen

b)

Tyrosinehormonen

c)

Peptidehormonen

32.

De bloedglucoseconcentratie komt boven de normwaarde. Welk hormoon regelt gewoonweg de daling van de bloedglucoseconcentratie (bloedsuikerspiegel)?

(a)  

33.

Bij welke aandoening is een tekort aan insuline het probleem?

a)

diabetes type 1

b)

diabetes type 2

34.

Het is een snikhete zomerse dag. Een dakdekker is desondanks hard aan het werk. Welk van onderstaande bewerkingen over hormoonprocessen in deze persoon is juist? Gebruik blz. 145-146

a)

De TRH aanmaak wordt gestimuleerd

b)

De aldosteronconcentratie is relatief laag

c)

De ADH-concentratie is relatief hoog

d)

Er vindt een verhoogde urineproductie plaats

35.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
36.

Waar worden oestrogenen & progesteron geproduceerd?

a)

eileider

b)

eierstok

c)

baarmoeder

d)

hypofyse

37.

Wat betekent homeostase?

a)

Een negatieve terugkoppeling in een regelkring

b)

Een positieve terugkoppeling in een regelkring

c)

Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in de darmen, longen en blaas

d)

Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendig milieu van organismen

38.

Het oppervlak van de dunne darmwand is heel groot door plooien en darmvlokken. Wat is daarvan het voordeel?

a)

Er kunnen meer verteringssappen geproduceerd worden.

b)

De enzymen uit de verteringssappen kunnen langer op het voedsel inwerken.

c)

Er kunnen meer voedingsstoffen in het bloed worden opgenomen.

d)

De voedselbrij kan sneller naar de dikke darm verplaatst worden.

39.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
40.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

41.

De alvleesklier maakt onder andere het hormoon .... in de ...

a)

glucagon, bijniercellen

b)

insuline, eilandjes van Langerhans

c)

glycogeen, lever

d)

adrenaline, eilandjes van Langerhans

42.

Glucose (suiker) wordt uit de lichaamscellen vrijgemaakt door

a)

glucagon

b)

insuline

c)

schildkilerhormoon

d)

adrenaline

43.

Glucose (suiker) kan de lichaamscellen in door middel van ..

a)

glucagon

b)

insuline

c)

schildkilerhormoon

d)

adrenaline

44.

Wat is geen onderdeel van het inwendige milieu?

a)

Weefselvloeistof

b)

Slijmlaag in de longen

c)

Bloedplasma

45.

Voedsel in je darmen horen bij...

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

46.

Voedingsstoffen in je bloed horen bij...

a)

Inwendig mileu

b)

Uitwendig milieu

47.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

48.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel

49.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

50.

Wat doen de nieren met je urine?

a)

Opslaan

b)

Uitscheiden

c)

Opnemen

51.

De lucht in je longen hoort bij het ...

a)

Inwendige milieu

b)

Uitwendige milieu

c)

Allebei

52.

Waar hoort bloed bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

53.

Wat gebeurt er wanneer je het warm hebt?

a)

Bloedvaten worden wijder

b)

Bloedvaten worden nauwer

c)

Je krijgt kippenvel

d)

Je gaat zweten

54.

In welke onderdelen van de nier vindt uitscheiding plaats van water en afvalstoffen?

a)

Nierschors

b)

Nierbekken

c)

Niermerg

d)

Urineleider

55.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

56.

Welke giftige stof ontstaat in de lever bij de afbraak van eiwitten?

a)

Ureum

b)

Fibrinogeen

c)

Gal

d)

Glycogeen

57.

Wat zijn de functies van de lever?

a)

Gal maken

b)

Gifstoffen afbreken

c)

Afvalstoffen afbreken

d)

Rode bloedcellen maken

58.

Waar in ons lichaam slaan we glucose op?

a)

Alleen de lever

b)

Alleen de spieren

c)

Lever en spieren

d)

Onderhuids bindweefsel

59.

Waar slaan we in ons lichaam vet op?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lever

c)

Gele beenmerg

d)

Alle antwoorden zijn goed

60.

Waar hoort weefselvocht bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

61.

Welk hormoon zorgt voor de secundaire geslachtskenmerken van een vrouw?

a)

Oestrogeen

b)

Progesteron

c)

Testosteron

62.

Welk hormoon wordt geproduceerd in de geslachtsklieren van een man?

a)

Testosteron

b)

Adrenaline

c)

Insuline

d)

Glucagon

63.

Het antidiuretisch hormoon regelt samen met de ... voor de waterhuishouding van het lichaam.

a)

Lever

b)

Darmen

c)

Hersenen

d)

Nieren

64.
De oranje delen van de afbeelding geven aan:
a)
de bijnieren
b)
de alvleesklier
c)
de teelballen
d)
de schildklier
65.

Welke uitspraak over de hormoonklieren is juist?

a)

Ons lichaam kent zeven hormoonklieren

b)

Ons lichaam kent oneindig veel hormoonklieren

c)

Elke hormoonklier produceert één hormoon

d)

Hormonen zijn 'chemische boodschappers', opgebouwd uit eiwitten

66.

Welk belangrijk verschil is er tussen het zenuwstelsel en het hormonale stelsel?

a)

De twee systemen werken samen, maar het zenuwstelsel heeft de leiding

b)

Het hormonale systeem heeft een sneller en directer merkbaar effect op het lichaam

c)

Het zenuwstelsel werkt wat trager, maar heeft wel een langduriger effect

d)

Het zenuwstelsel werkt vooral op organen die we niet met onze wil kunnen beïnvloeden

67.

Wat is de functie van de schildklier?

a)

Verbindt het zenuwstelsel met het hormoonstelsel

b)

Reguleert alle andere hormoonklieren

c)

Reguleert de stofwisseling en energiehuishouding

d)

Zorgt voor de juiste concentratie calcium in het bloed

68.

Welke hormoonklier reguleert de concentratie van bloedsuikers

a)

De geslachtsklieren

b)

De alvleesklier

c)

De bijschildklieren

d)

De hypofysevoorkwab

69.

Waar worden geen hormonen geproduceerd?

a)

Hypofyse

b)

Schildklier

c)

Bijnieren

d)

Nieren

70.

Je hormoonhuishouding verandert als je ouder wordt

a)

Juist

b)

Onjuist

71.

Welk hormoon speelt een rol bij de vetverbranding

a)

Insuline

b)

Thyroxine

c)

Melatonine

d)

Cortisol

72.

Wat wordt getoond bij nummer twee?

a)

Epifyse

b)

Hypofyse

c)

Schildklier

d)

Thymus

73.

Komen hormonen uit bijvoorbeeld de eierstokken van de vrouw ook in haar vingers voor?

a)

Ja, want ze komen via het bloed in het hele lichaam terecht

b)

Nee, ze gaan alleen naar de organen die ze nodig hebben.

74.

Als je glucose (suiker) gehalte in het bloed te hoog wordt, reageert je lichaam door extra insuline te produceren. Waar gebeurd dit?

a)

In de bijnieren

b)

In de schildklieren

c)

In de eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier)

d)

In de hypofyse

75.

Insuline zorgt er voor dat het glucose (suiker) gehalte in je bloed:

a)

daalt

b)

stijgt

76.

Ben zijn lichaam maakt al sinds hij een kind is geen insuline meer aan. Ben heeft Diabetes

a)

Type 1

b)

Type 2

77.

Inge heeft diabetes en heeft zich zelf te veel insuline ingespoten. Hierdoor wordt haar suiker gehalte (glucose) in het bloed;

a)

Te hoog

b)

Te laag

78.

Duid alle endocriene klieren aan:

a)

alvleesklier

b)

schildklier

c)

traanklieren

d)

hypothalamus

e)

eierstokken

79.

Hormonen zijn ..

a)

chemische boodschappermoleculen die vooral door endocriene klieren geproduceerd worden

b)

chemische boodschappermoleculen die vooral door exocriene klieren geproduceerd worden

80.

(a)   klieren geven hun sap of stoffen via een afvoerkanaal af 'buiten het lichaam'.

81.

Duid alle exocriene klieren aan:

a)

speekselklieren

b)

schildklier

c)

zweetklieren

d)

melkklieren

e)

spijsverteringsklieren

82.

Wat is de functie van hormonen?

a)

Hormonen regelen de werking van weefsels en organen die er gevoelig voor zijn.

b)

Hormonen verwerken impulsen die afkomstig zijn van zintuigcellen.

c)

Hormonen zorgen voor de voeding van veel hormoonklieren.

d)

Hormonen zorgen voor vaste, snelle reacties op bepaalde prikkels.

83.

Wat zijn de algemene verschillen tussen het hormoonstelsel en het zenuwstelsel?

a)

Hormoonstelsel werkt snel, zenuwstelsel werkt traag

b)

Hormoonstelsel werkt traag, zenuwstelsel werkt snel

c)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op korte termijn, zenuwstelsel op lange termijn.

d)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op lange termijn, zenuwstelsel op korte termijn.

84.

Voorbeelden van hormoonklieren zijn:

a)

hypofyse

b)

maag

c)

kleine hersenen

d)

schildklier

e)

eierstokken

85.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose?

(a)  

86.

Welk hormoon wordt bij diabetes onvoldoende geproduceerd?

(a)  

87.

Er is een hormoon dat een soortgelijke functie vervult van glucagon. Typ de naam van dat hormoon.

(a)  

88.

Adrenaline is een hormoon dat juist niet traag werkt, maar heel snel. Waar wordt adrenaline geproduceerd?

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

hypofyse

d)

Eilandjes van Langerhans

e)

teelballen

89.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

90.

Insuline en glucagon worden geproduceerd in ...

a)

de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier

b)

de eilandjes van Langerhans in de bijnieren

c)

de schildklier

d)

de teelballen

e)

de eilandjes van Langerhans in de hypofyse

91.

Welke soort klier zie je op onderstaand schema?

(a)  

92.

Welke hormonen maken na koppeling met een receptor altijd gebruik van een secundaire boodschapper (second messenger)?

a)

Steroïdhormonen

b)

Tyrosinehormonen

c)

Peptidehormonen

93.

Hier is een terugkoppeling te zien. Welke soort?

a)

Negatieve terugkoppeling

b)

Positieve terugkoppeling

94.

Progesteron is een hormoon dat werkt met het second Messenger mechanisme.

a)

Waar

b)

Niet waar

95.

Het hormoon gastrine....

a)

stimuleert de productie van rode bloedcellen

b)

stimuleert de maagsapproductie

c)

stimuleert afgifte HCO3-

96.

De schildklier geeft een hormoon af dat de verbranding versnelt. Waar in het lichaam kan door dit hormoon de verbranding worden versneld?

a)

alleen in de hartspier

b)

alleen in de lever

c)

alleen in de schildklier

d)

in het hele lichaam

97.

Bij een wielerwedstrijd over een afstand van 210 km is halverwege een revitaileringsplaats ingericht waar eten en drinken aan de deelnemers wordt verstrekt. Thomas vergeet hier eten en drinken te nemen, zodat hij verder niets kan nuttigen. Zes uur na de start bereikt hij de finish. Bij het passeren van de finish is de concentratie van een bepaald hormoon in zijn bloed hoger dan in rust.


Welke van deze hormonen zullen verhoogd zijn bij Thomas: adrenaline, ADH, glucagon en insuline?

a)

adrenaline

b)

ADH

c)

glucagon

d)

insuline

98.

In welke organen vindt in het lichaam vorming van glycogeen plaats?

a)

in bloedplasma

b)

in de lever

c)

in de eilandjes van Langerhans

d)

in de bijnieren

e)

in de spieren

99.

Welke spieren spelen een grote rol bij de buikademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Borstspieren

c)

Middenrif

d)

Buikspieren

100.

Welke spieren beïnvloeden de borstademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Borstspieren

c)

Middenrif

d)

Buikspieren

101.

Bij de ademhaling ontspannen tussenribspieren en het middenrif. Wat gebeurt er hierdoor?

a)

Borstkas wordt groter (= inademen)

b)

Borstkas wordt groter (= uitademen)

c)

Borstkas wordt kleiner (= inademen)

d)

Borstkas wordt kleiner (= uitademen)

102.

Bij de inademing gaan de ribben en het middenrif omhoog?

a)

Waar

b)

Niet waar

103.

Bij de borstademhaling gebruik je de:

a)

Tussenribspieren

b)

Middenrif

c)

Buikspieren

d)

Spieren bij het sleutelbeen

104.
In de animatie zie je 
a)

de buik- of middenrifademhaling

b)

de borstademhaling

c)

allebei

d)

geen van beide

105.

Het gas dat bedoeld wordt met pijl A heet

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

stikstof

d)

koolstofmonoxide

106.

Wat moet er worden ingevuld bij 1 en 2?

glucose + 1 → 2 + water + energie

a)

1 = koolstofdioxide

2= zuurstof

b)

1= koolmonoxide

2 = zuurstof

c)

1 = zuurstof

2 = koolstofdioxide

d)

1 = zuurstof

2 = koolmonoxide

107.

Je hoeft niet na te denken over je ademhaling. De snelheid en diepte van de ademhaling worden geregeld vanuit je .......

a)

longen

b)

grote hersenen

c)

hersenstam

d)

middenrif

108.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
109.

Welke weg legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?

a)

Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie

b)

neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp

c)

neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie

d)

keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie

110.

Van een patiënt is de vitale capaciteit 4 liter, het restvolume is 1 liter. Wat is de totale longcapaciteit van deze patiënt?

a)

3 liter

b)

4 liter

c)

5 liter

d)

6 liter

111.

Wat behoort niet tot de "dode ruimte"?

a)

neus

b)

strottenhoofd

c)

luchtpijp

d)

longblaasjes

112.

Waar in het ademhalingsstelsel vindt gaswisseling plaats?

a)

In de luchtpijp

b)

In de bronchiën

c)

In de neusholte

d)

In de longblaasjes

113.

De gaswisseling vindt plaats door middel van ...?

a)

Resorptie

b)

Diffusie

c)

Osmose

d)

Actief transport

114.

Als je uitademt wordt de borstholte groter/kleiner

en gaat je middenrif omhoog/omlaag

a)

Borstholte groter, middenrif omhoog

b)

Borstholte groter, middenrif omlaag

c)

Borstholte kleiner, middenrif omhoog

d)

Borstholte kleiner, middenrif omlaag

115.

De ....vervoert O2 rijk bloed naar de lever

a)

Poortader

b)

Leverslagader

c)

Leverader

d)

Leverlymfe

116.

Welk bloedvat hieronder vervoert voedingsstofrijk bloed naar de lever?

a)

Nierslagader

b)

Leverader

c)

Poortader

d)

Darmslagader

117.

Wat is een leverlob?

a)

Leverweefsels die samenwerken

b)

Levercellen die O2 rijk bloed vervoeren

c)

Levercellen die samenwerken

d)

Leverorganen die samenwerken

118.

Waarom heb je ijzer nodig in je lichaam?

a)

Voor mineralen aanmaak

b)

Om te ademen

c)

Om bilirubine te maken

d)

Om Hb te maken

119.

Wat is de juiste benaming voor ijzer?

a)

F2e+

b)

F+2e

c)

e+F2

d)

Fe2+

120.

Welke is niet waar

a)

Bilirubine is een voedingsrijke afvalstof

b)

Bilirubine is een afvalstof en bevat Hb

c)

Bilirubine ontstaat in de lever

d)

Bilirubine gaat via de galwegen uit de lever

121.

Wat zit nog meer in bilirubine?

a)

Galzure zouten

b)

Vet

c)

Koolhydraten

d)

Slijm

122.

Kees heeft pijn in zijn rechter onderbuik. Hij heeft galstenen. Wat zijn dat?

a)

Verkalkt bloed

b)

Verdikt gal

c)

Verdikt vet

d)

Verdikte voedingsstoffen

123.

De galblaas knijpt het gal naarbuiten, waar komen de galwegen in uit?

a)

Maag

b)

Dikke darm

c)

12-vingerige darm

d)

Dunne darm

124.

Gal verdeelt vet in kleine druppels. Dit is een voorbeeld van:

a)

Vermenging

b)

Osmose

c)

Diffusie

d)

Emulsie

125.

Koolhydraten worden afgebroken door enzym:

a)

Lipase

b)

Amylase

c)

Maltose

d)

Peptidase

126.

Koolhydraten worden opgeslagen in de lever in de vorm van

a)

Glucagon

b)

Glucose

c)

Glycogeen

d)

Glucase

127.

Welk enzym breekt geen eiwit af?

a)

Lipase

b)

Trypase

c)

Peptase

d)

Peptidase

128.

Sommige aminozuren kun je niet zelf maken, maar uit voeding opnemen. Deze noem je:

a)

Optimale eiwitten

b)

Optimale aminozuren

c)

Essentiële aminozuren

d)

Niet-essentiële aminozuren

129.

Hoeveel verschillende aminozuren zijn er?

a)

20

b)

11

c)

9

d)

30

130.

Hoeveel aminozuren kan de lever maken?

a)

15, dit zijn de essentiële aminozuren

b)

9, dit zijn de niet-essentiële aminozuren

c)

20, dit zijn de niet-essentiële aminozuren

d)

11, dit zijn de essentiële aminozuren

131.

Bij afbraak aminozuren ontstaat

a)

Maltose

b)

Ureum

c)

Glucagon

d)

Bilirubine

132.

Naast opslag heeft de lever de volgende functie:

a)

Aanmaak voedingsstoffen: Kapotte voedingsstoffen eruit halen en repareren

b)

Gaswisseling: Co2 uit het bloed halen en O2 in het bloed pompen

c)

Waterregulatie: Reabsorptie water uit bloed

d)

Ontgiften: Medicijnen en alcohol uit het bloed halen

133.

Hoe heet het virus dat voor een ontstoken lever kan zorgen?

(a)  

134.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
135.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
136.

Waar worden lymfocyten gemaakt in het lichaam?

a)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de milt

b)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de lever

c)

Lymfocyten worden gemaakt in de lever en de milt

137.

In witte bloedcellen bevindt zich hemoglobine

a)

Juist

b)

Onjuist

138.

Welke weg is juist?

a)

Nier - urineleider - urinebuis - blaas

b)

Nier - urinebuis - blaas - urineleider

c)

Nier - urineleider - blaas - urinebuis

139.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

140.

Wat gebeurt er bij diabetes type I?

a)

De cellen reageren niet op insuline

b)

De cellen maken geen insuline

c)

De cellen maken geen glucose

d)

De cellen maken geen glucagon

141.

Wat is waar over diabetes type II (meerdere antwoorden mogelijk)?

a)

De cellen maken geen insuline meer

b)

De cellen reageren niet meer op insuline

c)

Er wordt geen glucagon geproduceerd

d)

Onbehandelde diabetes type II leidt tot een hoog bloedglucosegehalte

142.

Welk van onderstaande reacties hoort niet bij de vecht- of vluchtreactie?

a)

Hartfrequentie stijgt

b)

Meer bloed naar spieren

c)

Glucose omzetten in glycogeen

d)

Gluconeogenese

143.

Welk hormoon wordt onder andere in de bijniermerg geproduceerd? Welk hormoon in de bijnierschors?

a)

In de merg adrenaline; in de schors cortisol

b)

In de merg cortisol; in de schors adrenaline

c)

In de merg adrenaline; in de schors noradreanline

d)

In de merg cortisol; in de schors aldosteron

144.

Welke twee hormonen zijn stresshormonen?

a)

Aldosteron en adrenaline

b)

Adrenaline en noradrenaline

c)

Adrenaline en cortisol

d)

Cortisol en aldosteron

145.

Welk van deze reacties is het langszaamst?

a)

Afgifte van adrenaline

b)

Afgifte van noradrenaline

c)

Afgifte van cortisol

146.

Twee leerlingen doen een uitspraak over adrenaline.

Isa zegt dat het de bloeddruk laat stijgen

Joep zegt dat het zorgt voor de omzetting van glucose naar glycogeen.

Wie heeft of wie hebben gelijk?

a)

Isa heeft gelijk

b)

Joep heeft gelijk

c)

Isa en Joep hebben gelijk

d)

Isa en Joep hebben beiden geen gelijk

147.

Wat doet cortisol NIET?

a)

Het laat de bloeddruk stijgen

b)

Het zorgt ervoor dat de nieren Na en water uitscheiden

c)

Het zorgt voor gluconeogenese

148.

Welk hormoon geeft de hypothalamus af voorafgaand aan de afgifte van cortisol?

a)

ACTH

b)

CRH

c)

GnRH

d)

Aldosteron