wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Terugblik intro OWP en de baby

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Ontwikkelingspsychologie is de wetenschap die het gedrag bestudeert van de mens in de verschillende fasen van zijn ontwikkeling.

a)

juist

b)

onjuist

2.

Denken, geheugen, taalontwikkeling en concentratie valt onder het cognitieve aspect.

a)

juist

b)

onjuist

3.

De zintuiglijke ontwikkeling van de mens valt onder het cognitieve aspect

a)

juist

b)

onjuist

4.

De omgang met anderen valt onder het sociale aspect.

a)

juist

b)

onjuist

5.

Wanneer we het hebben over de vorming van de identiteit, eigen wil, opvattingen en zelfbeeld dan hebben we het over de persoonlijke ontwikkeling.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Bij volwassenen bepalen externe omstandigheden in belangrijke mate hun geluksgevoel.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Waardering voor het eigen lichaam valt onder de lichamelijke ontwikkeling

a)

juist

b)

onjuist

8.

De eerste bewegingen van een baby zijn reflexbewegingen. Dit zijn onbewuste reacties op een bepaalde prikkel van buitenaf.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Een baby kan vanaf zijn geboorte al zijn zintuigen meteen goed gebruiken

a)

juist

b)

onjuist

10.

Vanaf ongeveer vijftien maanden is bij een baby sprake van een eenkennigheidsperiode.

a)

juist

b)

onjuist

11.

Bij het leren van de baby is sprake van imiterend leren, herhalingsleren en ervaringsleren.

a)

juist

b)

onjuist

12.

Vanaf ongeveer één jaar is het belangrijk de taalontwikkeling van een kind te stimuleren.

a)

juist

b)

onjuist

13.

Door spel leert een baby zichzelf kennen en werkt hij aan zijn eigen lichamelijke, zintuiglijke en motorische ontwikkeling.

a)

juist

b)

onjuist

14.

Temperament is de manier waarop een kind leert reageren op bepaalde omstandigheden. Vaak doet hij zijn ouders daarin na.

a)

juist

b)

onjuist

15.

Een goede emotionele ontwikkeling in de babytijd is de basis waarop iemand in zijn leven verdergaat.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Als een baby ongeveer drie maanden oud is, komt er een afstemming tot stand tussen ogen en handen, de
oog-handcoördinatie

a)

juist

b)

onjuist

17.

Factoren die de ontwikkeling bepalen zijn aanleg, erfelijkheid en talent (interne factoren), omgeving (externe factoren) en geluk.

a)

juist

b)

onjuist

18.

Wat ik niet zie en wat weg gaat, bestaat nog steeds. Dit noemen we objectpermanentie

a)

juist

b)

onjuist

19.

Ouders tonen zich gevoelig voor de signalen die de baby afgeeft en stemmen hun reactie af op die behoefte.

Dit is ouderlijke sensitiviteit en responsiviteit en is essentieel voor de ontwikkeling van basisvertrouwen.​

a)

juist

b)

onjuist

20.

Er zijn twee vormen van hechting bij kinderen:

-Veilig gehecht, kind ervaart basisvertrouwen en veiligheid

-Onveilig gehecht, kind ervaart basis wantrouwen en heeft geen vertrouwen in zichzelf.

a)

juist

b)

onjuist