wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling thema 6

Total questions: 25

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Vul in:

Het huis is ................. schoon gemaakt. Alleen de badkamer nog.

a)

krampachtig

b)

abrupt

c)

grotendeels

2.


Mijn kinderen wil ik beschaafd opvoeden.

Wat betekent beschaafd?

a)

Netjes, goed, volgens de regels

b)

Streng

c)

Vrij, zonder regels

3.

Sommigen zeggen dat veel talen kunnen spreken een verrijking is.

Wat is een verrijking?

a)

Iets waar je als persoon slechter van wordt

b)

Iets waar je als persoon beter van wordt

c)

Iets waar je als persoon verdrietig van wordt

4.

Vul in:

Ze ................. het verlies aan de scheidsrechter.

a)

stellen

b)

wijten

c)

teren

5.

Mijn ouders waren lyrisch over mijn rapport.

Wat betekent lyrisch?

a)

Heel blij, iets fantastisch vinden

b)

Erg verdrietig zijn

c)

Tevreden

6.

De monteur had de nieuwe televisie aangesloten.

Wat is de goede vorm van de werkwoorden?

a)

had = infinitief

aangesloten = voltooid deelwoord

b)

had = persoonsvorm

aangesloten = voltooid deelwoord

c)

had = persoonsvorm

aangesloten = infinitief

7.

Wat heeft dit te betekenen?

Wat is de goede vorm van de werkwoorden?

a)

heeft = persoonsvorm

betekenen = infinitief

b)

heeft = persoonsvorm

betekenen = voltooid deelwoord

c)

heeft = infinitief

betekenen = voltooid deelwoord

8.


Wat wilde je mij nog zeggen?

Wat is de goede vorm van de werkwoorden?

a)

wilde = voltooid deelwoord

zeggen = infinitief

b)

wilde = persoonsvorm

zeggen = voltooid deelwoord

c)

wilde = persoonsvorm

zeggen = infinitief

9.


Jij moet die taal goed kunnen spreken.

Wat is de goede vorm van de werkwoorden?

a)

moet = persoonsvorm

spreken = infinitief

b)

moet = persoonsvorm

spreken = voltooid deelwoord

c)

moet = voltooid deelwoord

spreken = infinitief

10.

De honden hadden gevochten om het bot.

Wat is de goede vorm van de werkwoorden?

a)

hadden = infinitief

gevochten = voltooid deelwoord

b)

hadden = persoonsvorm

gevochten = infinitief

c)

hadden = persoonsvorm

gevochten = voltooid deelwoord

11.


De dokter heeft de patiënt de medicijnen gegeven.

Wat is het meewerkend voorwerp?

(a)  

12.

De politie deelde een boete uit aan de boze man.

Wat is het meewerkend voorwerp?

(a)  

13.

De postbode geeft de brief aan de buurman.

Wat is het meewerkend voorwerp?

(a)  

14.

De scheidsrechter geeft de lekke bal aan de verzorger van de club.

Wat is het meewerkend voorwerp?

(a)  

15.

Ik vraag aan mijn ouders een nieuw spel voor de playstation.

Wat is het meewerkend voorwerp?

(a)  

16.

Zij heeft hem een cadeau gegeven.

Wat zijn de 2 persoonlijk voornaamwoorden in de zin?

(a)  

17.


Hij heeft het mij niet verteld.

Wat zijn de 3 persoonlijk voornaamwoorden in de zin?

(a)  

18.

Ik geef jullie het nieuwe boek.

Wat zijn de 2 persoonlijk voornaamwoorden in de zin?

(a)  

19.

Dat kan ik je wel vertellen.

Wat zijn de 3 persoonlijk voornaamwoorden in de zin?

(a)  

20.

Wil je me iets vertellen?

Wat zijn de 2 persoonlijk voornaamwoorden in de zin?

(a)  

21.

Wauw, dat is een prachtig slot.

Welk woord is dubbelzinnig?

(a)  

22.

Gaf jij hem zomaar een knuffel?

Welk woord is dubbelzinnig?

(a)  

23.

De jarige buurman kreeg van hem een trap.

Welk woord is dubbelzinnig?

(a)  

24.

Uit de box komt geluid

Welk woord is dubbelzinnig?

(a)  

25.


De fotograaf maakt een foto van de ster.

Welk woord is dubbelzinnig?

(a)