wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ha5 H3 Brazilie alles

Total questions: 100

Worksheet time: 1hrs 13mins

Name
Class
Date
1.

De ITCZ ligt in december ten noorden van de evenaar

a)

Waar

b)

Onwaar

2.

De ITCZ staat in juli ten noorden van de evenaar

a)

Waar

b)

Onwaar

3.

Een transparante manier van besturen, waarbij de bevolking over middelen beschikt om het regeringsbeleid te controleren en te beoordelen.

(a)  

4.

Deelname van de mensen aan de samenleving, bijvoorbeeld door lid te zijn van een vereniging, politieke partij, kerk of ander soort club.

(a)  

5.

Het proces waar er bij het besturen van het land steeds vaker en beter naar de wens van de burger geluisterd wordt.

(a)  

6.

Het noordoosten van Brazilië kent een steppeklimaat. Dit komt doordat:

a)

Het gebied aan de loefzijde van de Serra do Mar ligt

b)

Het gebied aan de lijzijde van de Serra do Mar ligt

c)

Het gebied geen aanlandige wind kent

d)

Het gebied niet onder de invloed staat van de ITCZ

7.

Het tropisch regenwoud vind je in Brazilië vooral in:

a)

Het oosten

b)

Het westen

c)

Het zuiden

d)

Het noorden

8.

Dit gebied ligt aan de Atlantische kust, is dicht tropisch bos en heeft zich aangepast aan het zoute water. Wortels van bomen steken boven de grond uit. Dit is:

a)

Tropisch regenwoud

b)

Atlantisch regenwoud

c)

Mangrove

d)

Pantanal

9.

Ander woord voor tropisch regenwoud in het Portugees:

a)

Selva

b)

Pantanal

c)

Cerrado

d)

Caatinga

10.

Wat is een ander woord voor landroof?

a)

Landjepik

b)

Stratego

c)

Landgrabbing

d)

Landgetting

11.

Brazilië haalt de stroom voornamelijk uit:

a)

Waterkrachtcentrales

b)

Windmolens

c)

Zonneparken

d)

Fossiele brandstoffen

12.
Bio-ethanol wordt gebruikt als brandstof, gemaakt van....
a)
Fossiele brandstof
b)
Graan
c)
Olie
d)
Suikerriet
13.
Grote bedrijven kopen het land van de kleine boeren.
a)
Verdringing
b)
Omkopen
c)
Corruptie
14.
BRICS-landen:De letter i staat voor?
a)
Indonesië
b)
Israël
c)
India
15.

Wat is de hoofdstad van Brazilie

a)

Rio de Janeiro

b)

Salvador

c)

Sao Paulo

d)

Brrasilia

16.

Waar wonen de meeste inwoners in Brazilie?

a)

Noorden

b)

Oosten

c)

Zuiden

d)

Westen

17.

Welke taal spreken ze in Brazilie?

a)

Frans

b)

Engels

c)

Spaans

d)

Portugees

18.

Welk probleem is er in Brazilie met de aardolie velden?

a)

Vele zijn moeilijk bereikbaar

b)

Ze liggen in dichtbevolkte gebieden

c)

Ze liggen in de Amazone

19.
Steenkool, aardgas en aardolie zijn.......brandstoffen.
a)
Natuurlijk
b)
Groene
c)
Oneindige
d)
Fossiele
20.

Wat is geen nadeel van een stuwdam?

a)

De levering van energie is ongelijk

b)

Akkers en dorpen lopen onder water

c)

Vissen kunnen geen gebruik meer maken van de rivier

d)

Handel over de rivier wordt bemoeilijkt

21.

Bekijk de bron: Welke factor heeft veel invloed op het Af Klimaatgebied?

a)

Relief

b)

Geografische ligging

c)

Zeestroom

d)

Invloed van de ITCZ

22.

Bekijk de bron: Welke factor heeft veel invloed op het BS en BW klimaatgebied?

a)

Relief

b)

Geografische ligging

c)

Zeestroom

d)

Invloed van de ITCZ

23.

Bekijk de bron: Welke factor heeft veel invloed op het Aw en het Am klimaatgebied?

a)

Relief

b)

Geografische ligging

c)

Zeestroom

d)

Invloed van de ITCZ

24.

Wat zit er NIET in een geografisch beeld

a)

Mental Map

b)

Externe relaties

c)

Ligging

d)

Fysische kenmerken

e)

Sociale kenmerken

25.

Welke uitspraak is juist?

a)

Brazilië heeft zich ontwikkeld van een exploitatiekolonie tot een wereldeconomie.

b)

Brazilië is qua ontwikkelingsniveau te vergelijken met Sub Sahara Afrika.

c)

Dat Brazilië gelegen is in Zuid-Amerika zegt iets over de relatieve ligging.

d)

Het beeld dat mensen van Brazilië hebben is de laatste 100 jaar steeds negatiever geworden.

e)

Het geografisch beeld van Brazilië wordt bepaald door reisgidsen.

26.

In dit land is de verstedelijksgraad laag, maar het verstedelijkingstempo hoog. Dit is een..

a)

Arm land

b)

Rijk land

27.

In westerse megasteden zullen de meeste mensen werken in de

a)

Primaire sector

b)

Tertiaire sector

c)

Secundaire sector

d)

Informele sector

28.

Een stad met meer dan 10 miljoen inwoners is een

a)

Hoofdstad

b)

Wereldstad

c)

Megastad

d)

Primate city

29.

De grootste stad van het land met miljoenen inwoners en de tweede stad is nog geen tiende deel daar van.

a)
Hoofdstad
b)
wereldstad
c)
megastad
d)
Primate city
30.

Deze stad is op politiek en economisch gebied belangrijk voor een deel van de wereld

a)

Dit is een hoofdstad

b)

Dit is een wereldstad

c)

Dit is een megastad

31.

Natuurlijke groei bereken je via volgende formule

a)

geboortecijfer + sterftecijfer

b)

geboortecijfer - sterftecijfers

c)

geboortecijfer x sterftecijfer

d)

geboortecijfer : sterftecijfer

32.

Scheiding van bevolkingsgroepen op basis van hun inkomen en positie in de maatschappij wordt aangeduid met het volgende begrip

a)

Regionale segregatie

b)

gewone segregatie

c)

sociale segregatie

d)

ongewone segregatie

33.

De Randstad is een voorbeeld van..

a)

een agglomeratie

b)

een stedelijk netwerk

c)

een stadsgewest

d)

een megastad

34.

Wat gebeurt er met de relatieve afstand tussen twee plaatsen als er wegwerkzaamheden zijn?

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

c)

Blijft gelijk

35.

In niet-westerse megasteden zal een relatief groot aantal mensen werken in de

a)

Primaire sector

b)

Tertiaire sector

c)

Secundaire sector

d)

Informele sector

36.

Wat wordt bedoeld met 'urbanisatiegraad'?

a)

Percentage stedelingen in een land

b)

Percentage rijke mensen in een stad

c)

Percentage plattelandsbewoners

d)

Percentage mensen wat naar de stad verhuist

37.

Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in een gebied of land.

a)

bevolking

b)

cultuur

c)

cultuurelement

d)

cultuurgebied

e)

bevolkingsdichtheid

38.
Je land verlaten om in een ander land te gaan wonen.
a)
emigratie
b)
immigratie
c)
migratie
d)
bevolkingsspreiding
e)
cultuur
39.

Het % van dienstverlenende beroepen neemt toe ten opzichte van de landbouw en de industrie. Dat noemen we :

a)

Verstedelijking

b)

Tertiairisering

c)

Industrialisatie

d)

Globalisering

40.

Wat is een kenmerk van de caatinga in Brazilië?

a)

Het ligt in de regenschaduw van het kustgebergte

b)

Het heeft een overvloedige neerslag

c)

Het is een gebied met veel mangrove

d)

Het heeft een tropisch klimaat

41.

Wat is een gevolg van het bouwen van stuwdammen in Brazilië?

a)

Toename van natuurgebieden

b)

Kleiner leefgebied voor inheemse bevolking

c)

Minder elektriciteitsvoorziening

d)

Minder vraag naar elektriciteit

42.

Wat is een gevolg van de bevolkingsgroei op het platteland in Brazilië?

a)

Minder kosten voor de economische groei

b)

Meer emancipatie

c)

Minder urbanisatie

d)

Hogere geboortecijfers

43.

Wat is een gevolg van de afname van de demografische druk in Brazilië?

a)

Minder urbanisatie

b)

Minder kinderen per vrouw

c)

Minder vraag naar elektriciteit

d)

Meer kosten voor de economische groei

44.
Houtsnippers, frituurvet, mest en plantenresten zijn voorbeelden van
a)
Biomassa
b)
Aardwarmte
c)
Fossielen
d)
Groene energie
45.

De bevolking van Brazilie bestaat voornamelijk uit...

a)

Zuigelingen (0-1 jaar)

b)

Jongeren (1 tot 30 jaar)

c)

Ouderen (30 tot 50 jaar)

d)

Bejaarden (50+ jaar)

46.

Welke taal spreken ze in Brazilie?

a)

Frans

b)

Engels

c)

Spaans

d)

Portugees

47.

Wat is een ander woord voor zelfbouwwijken?

a)

Sloppenwijken

b)

Favela's

c)

Krottenwijken

d)

bidonvilles

48.

Waardoor stijgt de vraag naar energie in Brazilie?

a)

Door de bevolkingsgroei

b)

Door de politieke omstandigheden

c)

Door de economische groei

d)

Door de bouw van favela's

49.

Wat zijn de BRIC-landen?

a)

Brazilië - Roemenië - India - China

b)

Brazilië - Rusland - Indonesië - China

c)

Brazilië - Rusland - India - China

d)

Brazilië - Rusland - India - Colombia

50.
Zonne-energie en windenergie zijn.... energiebronnen.
a)
Dure
b)
Hernieuwbare
c)
Radioactieve
d)
Nieuw
51.

Duurzame energie is hetzelfde als groene energie

a)

Juist

b)

Onjuist

52.

Wat is geen nadeel van een stuwdam?

a)

De levering van energie is ongelijk

b)

Akkers en dorpen lopen onder water

c)

Vissen kunnen geen gebruik meer maken van de rivier

d)

Handel over de rivier wordt bemoeilijkt

53.

Een algemene karakterisering van een gebied of van een groep mensen die niet met de werkelijkheid overeenkomt.

(a)  

54.

Delfstof waaruit metalen en/of mineralen gewonnen kunnen worden.

(a)  

55.

Buitenlandse en binnenlandse bedrijven kopen in een land enorme stukken land op om er grootschalige landbouwbedrijven te beginnen.

(a)  

56.

Ongeregistreerde economische activiteiten.

(a)  

57.

De samenstelling van de ingevoerde en uitgevoerde producten.

(a)  

58.

De winning van delfstoffen aan of vlak bij het aardoppervlak.

(a)  

59.

Groep met gedeelde cultuur, identiteit en/of afkomst.

(a)  

60.

De manier waarop je iets waarneemt, ervaart en beoordeelt.

(a)  

61.

Braziliaanse benaming voor sloppenwijk.

(a)  

62.

Het ruimtelijke beeld dat iemand van een bepaald gebied in zijn geheugen heeft opgeslagen, dit verschilt per persoon en in is subjectief.

(a)  

63.

Een beeld van een gebied op basis van controleerbare informatie over de ligging van het gebied, de ruimtelijke kenmerken ervan en de samenhang daartussen.

(a)  

64.

De groei of afname van een bevolking door geboorte en sterfte.

(a)  

65.

Steden die door middel van infrastructuur en onderlinge relaties met elkaar verbonden zijn.

(a)  

66.

Afkorting voor landen die een snelle economische groei kenden tussen 2000-2012.

(a)  

67.

De groei of afname van een bevolking door migratie.

(a)  

68.

Investeringen door buitenlandse bedrijven.

(a)  

69.

Ommuurde woonwijk waarvan alle in- en uitgangen afgesloten zijn, zodanig dat er controle is op wie er de wijk in- en uitgaan

(a)  

70.

Contacten met andere landen en buitenlandse bedrijven met als doel de eigen handelspositie en mogelijkheden te versterken.

(a)  

71.

De mate waarin een land erop gericht is om zijn producten te verkopen aan het buitenland.

(a)  

72.

De waarde van alle goederen en diensten die binnen een land geproduceerd worden gedeeld door het aantal inwoners.

(a)  

73.

Voortdurende verandering in een ecosysteem.

(a)  

74.

Verdiepingen in een tropisch regenwoud die zich onderscheiden door het type begroeiing, luchtvochtigheid, hoeveelheid zonlicht en soorten levensvormen.

(a)  

75.

Een ruimtelijk systeem waarin levende en niet-levende elementen op natuurlijke wijze met elkaar in evenwicht en verbonden zijn.

(a)  

76.

Het vermogen van een ecosysteem om mensen, dieren en planten blijvend te kunnen voorzien in hun levensbehoeften.

(a)  

77.

De continue verplaatsing van koolstof tussen de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer en lithosfeer.

(a)  

78.

Unie van Zuid-Amerikaanse naties op politiek en economisch vlak.

(a)  

79.

Verwijderen van bos, waarna de vrijgekomen grond vaak voor landbouw wordt gebruikt.

(a)  

80.

Een daling van de grondwaterspiegel met als gevolg een afname van de soortenrijkdom.

(a)  

81.

Landgebruik gericht op behoud van de kwaliteit van de bodem.

(a)  

82.

Organisatie die buiten overheden om direct met belangengroepen werkt.

(a)  

83.

Verschillen in ontwikkelingskansen en welvaart tussen bevolkingsgroepen.

(a)  

84.

Ongelijke behandeling op basis van afkomst, nationaliteit of huidskleur.

(a)  

85.

Het bevoordelen van een bepaalde groep mensen.

(a)  

86.

De manier waarop de landbouwgrond over de bevolking is verdeeld.

(a)  

87.

Een maandelijkse financiële uitkering voor arme Braziliaanse gezinnen met kinderen.

(a)  

88.

Een niveau van inkomen dat minimaal nodig is om rond te kunnen komen (<1,90 dollar).

(a)  

89.

Wetgeving waarin is vastgesteld welke stukken grond toebehoren aan de oorspronkelijke bevolking.

(a)  

90.

Het geschikt maken van een stuk land voor andere activiteiten, zoals land- of mijnbouw.

(a)  

91.

Afname van de kwaliteit van de bodem of ondergrond door processen als versnelde bodemerosie, verdroging en verzilting.

(a)  

92.

Door de wet niet-toegestane kap van bomen.

(a)  

93.

Vermenging van bevolkingsgroepen.

(a)  

94.

Het kappen van bomen met als doel deze te verkopen.

(a)  

95.

Welke kringloop zie je?

(a)  

96.

Wat is de belangrijkste natuurlijke hulpbron die Brazilië bezit?

a)

Nikkel

b)

Aardolie

c)

Bauxiet

d)

Bio-ethanol

97.

Wat is een nadeel van het gebruik van bio-ethanol als brandstof in Brazilië?

a)

Minder CO2-uitstoot

b)

Minder werkgelegenheid

c)

Minder economische groei

d)

Ontbossing

98.

Welk vegetatietype is te vinden in de hooglanden van Brazilië?

a)

Selva

b)

Taiga

c)

Mangrove

d)

Cerrado

99.

Wat is de functie van mangroven in Brazilië?

a)

Bescherming tegen aardbevingen

b)

Bescherming tegen bosbranden

c)

Bescherming tegen overstromingen

d)

Bescherming tegen aardverschuivingen

100.

Wat is een geschikt afdekkingsgesteente voor aardgas?

a)

kalksteen

b)

zandsteen

c)

zoutsteen