NEW
Font size
WorksheetsTaalcompleet a2 thema 2
Total questions: 57
Worksheet time: 29mins
Mijn broer is ...................... mijn zus.
ouder
oudste dan
ouder dan
oudste
Er zijn ........... fietsen dan mensen in Nederland.
meeste
veel
meer
De tafel is .... de stoel.
grooter
groter
groter dan
grootste
Ik vind appels lekkerder dan bananen, maar ik vind druiven het....
lekkerst
lekkerder
lekker
lekkerders
Mijn tas is zwaarder dan jouw tas, maar de tas van mevrouw de Vries is ....
zwaarst
het zwaarst
zwaar
zwaarder
Opdracht 2 is moeilijker dan opdracht 1, maar opdracht 3 is ......
moeilijk
moeilijker
het moeilijkst
moeilijkst
Mijn fiets is ..... dan jouw fiets.
nieuw
nieuwer
nieuwer dan
nieuwst
Ik heb meer geld dan jij, maar mijn zus heeft ......
het meest
meer
meest
veel
Deze broek is ..... dan die broek
mooist
mooier
mooi
het mooist
Spanje is een goed land, maar Nederland is het.....
beter
goedst
best
Jan eet minder dan Piet, maar Kees eet ....
het minderst
weinig
het minst
minder
Welke zin is goed?
Wie woont het kortst in Nederland?
Wie woont korter dan in Nederland?
Wie woont kortst in Nederland?
Welke zin is goed?
Het vliegtuig is snelst.
Het vliegtuig is sneller.
Het vliegtuig is het snelst.
Welke zin is goed?
Ik wil het graagst naar Italie gaan.
Ik wil het liefst naar Italie gaan.
1 verschil - 2......
verschillen
verschils
verschilen
De meeste Nederlanders eten het avondeten ........: ongeveer om 17.00.
soms
vroeg
laat
nooit
Pasen en Kerst zijn niet .............. feest.
hetzelfde
zelfde
mooie
verschillen
Wat is goed?
Ik heb gewerkt
Ik heb gewerkd
Ik gewerkt
Wat is goed?
Hij gewoond in Amsterdam.
Hij heeft gewoond in Amsterdam.
Hij heeft gewoont in Amsterdam.
Wat is goed?
We hebben gewacht.
We hebben gewachd.
We gewacht.
Wat is goed?
Ik heb gisteren gedanst.
Ik heb gisteren gedansd.
Ik gisteren gedansd.
Wat is goed?
Jullie hebben voetbal gespeelt.
Jullie hebben voetbal gespeeld.
Jullie heeft voetbal gespeeld.
Zij ......................vandaag.........................
heeft......gewerkt
heb...........gewerkt
heeft.........gewerkd
Heb je goed......?
geluistert
luisteren
geluisterd
Ik heb een appel.....................
gepakt
gepakd
pakken
pak
Zij hebben veel.....
gereist
reizen
gereizt
gereisd
De man heeft lang .............
geleefd
geleeft
geleevd
....... zijn veel kinderen in de klas.
Er is
Er zijn
..... taart vandaag!
Er is
Er zijn
...........veel mensen op straat.
Er is
Er zijn
........een lekker koekje voor jou.
Er is
Er zijn
Wat is goed? Je moet de pannenkoek bakken >.....
Bak de pannenkoek!
Bakt de pannenkoek!
Wat is goed? Je moet hier komen >.....
Komt jij hier!
Kom hier!
Wat is goed? Je moet je boek pakken > ....
Pak je boek!
Pakken je boek?
Iemand is ziek. Wat zeg je?
Succes!
Beterschap!
Gefeliciteerd!
Iemand is jarig. Wat zeg je?
Sterkte.
Gefeliciteerd
Gecondoleerd
Bedankt
Iemand is overleden. Wat zeg je?
Veel geluk samen.
Gecondoleerd.
Beterschap
Iemand gaat trouwen. Wat zeg je?
Sterkte.
Veel geluk samen.
Succes.
1 bed - 3....
beden
bedden
beds
bed
1 zus - 3 .....
zus
zussen
zusen
1 kleed - 2 .....
kleeden
kleden
kleeds
1 huis - 5 ....
huisen
huizen
huis
1 brief - 30 ....
brieven
briefen
briefs
1 winkel - 20 ...
winkel
winkelen
winkels
1 poes - 3 ....
poesen
poezen
poes
1 kind - 4 ....
kinden
kinds
kinderen
1 stad - 2 ....
steden
stads
staden
stadden
1 ei - 2 ....
eien
eieren
eis
1 ijsje - 2 ....
ijsjen
ijsje
ijsjes
1 dag - 7 ....
daggen
dags
dagen
1 man - 5 ....
manen
mans
mannen
1 koe - 2....
koei
koes
koeien
Wat is het voltooid deelwoord van 'denken'?
gedenkt
gedacht
gedenkd
Wat is het voltooid deelwoord van 'drinken'?
gedrinkt
gedronken
gedronkt
Wat is het voltooid deelwoord van 'eten'?
gegeten
geeet
eet
Wat is het voltooid deelwoord van 'krijgen'?
gekrijgt
gekrijgd
gekregen
Wat is het voltooid deelwoord van 'doen'?
gedoet
gedaan
gedoend
