wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalcompleet a2 thema 2

Total questions: 57

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Mijn broer is ...................... mijn zus.

a)

ouder

b)

oudste dan

c)

ouder dan

d)

oudste

2.

Er zijn ........... fietsen dan mensen in Nederland.

a)

meeste

b)

veel

c)

meer

3.

De tafel is .... de stoel.

a)

grooter

b)

groter

c)

groter dan

d)

grootste

4.

Ik vind appels lekkerder dan bananen, maar ik vind druiven het....

a)

lekkerst

b)

lekkerder

c)

lekker

d)

lekkerders

5.

Mijn tas is zwaarder dan jouw tas, maar de tas van mevrouw de Vries is ....

a)

zwaarst

b)

het zwaarst

c)

zwaar

d)

zwaarder

6.

Opdracht 2 is moeilijker dan opdracht 1, maar opdracht 3 is ......

a)

moeilijk

b)

moeilijker

c)

het moeilijkst

d)

moeilijkst

7.

Mijn fiets is ..... dan jouw fiets.

a)

nieuw

b)

nieuwer

c)

nieuwer dan

d)

nieuwst

8.

Ik heb meer geld dan jij, maar mijn zus heeft ......

a)

het meest

b)

meer

c)

meest

d)

veel

9.

Deze broek is ..... dan die broek

a)

mooist

b)

mooier

c)

mooi

d)

het mooist

10.

Spanje is een goed land, maar Nederland is het.....

a)

beter

b)

goedst

c)

best

11.

Jan eet minder dan Piet, maar Kees eet ....

a)

het minderst

b)

weinig

c)

het minst

d)

minder

12.

Welke zin is goed?

a)

Wie woont het kortst in Nederland?

b)

Wie woont korter dan in Nederland?

c)

Wie woont kortst in Nederland?

13.

Welke zin is goed?

a)

Het vliegtuig is snelst.

b)

Het vliegtuig is sneller.

c)

Het vliegtuig is het snelst.

14.

Welke zin is goed?

a)

Ik wil het graagst naar Italie gaan.

b)

Ik wil het liefst naar Italie gaan.

15.

1 verschil - 2......

a)

verschillen

b)

verschils

c)

verschilen

16.

De meeste Nederlanders eten het avondeten ........: ongeveer om 17.00.

a)

soms

b)

vroeg

c)

laat

d)

nooit

17.

Pasen en Kerst zijn niet .............. feest.

a)

hetzelfde

b)

zelfde

c)

mooie

d)

verschillen

18.

Wat is goed?

a)

Ik heb gewerkt

b)

Ik heb gewerkd

c)

Ik gewerkt

19.

Wat is goed?

a)

Hij gewoond in Amsterdam.

b)

Hij heeft gewoond in Amsterdam.

c)

Hij heeft gewoont in Amsterdam.

20.

Wat is goed?

a)

We hebben gewacht.

b)

We hebben gewachd.

c)

We gewacht.

21.

Wat is goed?

a)

Ik heb gisteren gedanst.

b)

Ik heb gisteren gedansd.

c)

Ik gisteren gedansd.

22.

Wat is goed?

a)

Jullie hebben voetbal gespeelt.

b)

Jullie hebben voetbal gespeeld.

c)

Jullie heeft voetbal gespeeld.

23.

Zij ......................vandaag.........................

a)

heeft......gewerkt

b)

heb...........gewerkt

c)

heeft.........gewerkd

24.

Heb je goed......?

a)

geluistert

b)

luisteren

c)

geluisterd

25.

Ik heb een appel.....................

a)

gepakt

b)

gepakd

c)

pakken

d)

pak

26.

Zij hebben veel.....

a)

gereist

b)

reizen

c)

gereizt

d)

gereisd

27.

De man heeft lang .............

a)

geleefd

b)

geleeft

c)

geleevd

28.

....... zijn veel kinderen in de klas.

a)

Er is

b)

Er zijn

29.

..... taart vandaag!

a)

Er is

b)

Er zijn

30.

...........veel mensen op straat.

a)

Er is

b)

Er zijn

31.

........een lekker koekje voor jou.

a)

Er is

b)

Er zijn

32.

Wat is goed? Je moet de pannenkoek bakken >.....

a)

Bak de pannenkoek!

b)

Bakt de pannenkoek!

33.

Wat is goed? Je moet hier komen >.....

a)

Komt jij hier!

b)

Kom hier!

34.

Wat is goed? Je moet je boek pakken > ....

a)

Pak je boek!

b)

Pakken je boek?

35.

Iemand is ziek. Wat zeg je?

a)

Succes!

b)

Beterschap!

c)

Gefeliciteerd!

36.

Iemand is jarig. Wat zeg je?

a)

Sterkte.

b)

Gefeliciteerd

c)

Gecondoleerd

d)

Bedankt

37.

Iemand is overleden. Wat zeg je?

a)

Veel geluk samen.

b)

Gecondoleerd.

c)

Beterschap

38.

Iemand gaat trouwen. Wat zeg je?

a)

Sterkte.

b)

Veel geluk samen.

c)

Succes.

39.

1 bed - 3....

a)

beden

b)

bedden

c)

beds

d)

bed

40.

1 zus - 3 .....

a)

zus

b)

zussen

c)

zusen

41.

1 kleed - 2 .....

a)

kleeden

b)

kleden

c)

kleeds

42.

1 huis - 5 ....

a)

huisen

b)

huizen

c)

huis

43.

1 brief - 30 ....

a)

brieven

b)

briefen

c)

briefs

44.

1 winkel - 20 ...

a)

winkel

b)

winkelen

c)

winkels

45.

1 poes - 3 ....

a)

poesen

b)

poezen

c)

poes

46.

1 kind - 4 ....

a)

kinden

b)

kinds

c)

kinderen

47.

1 stad - 2 ....

a)

steden

b)

stads

c)

staden

d)

stadden

48.

1 ei - 2 ....

a)

eien

b)

eieren

c)

eis

49.

1 ijsje - 2 ....

a)

ijsjen

b)

ijsje

c)

ijsjes

50.

1 dag - 7 ....

a)

daggen

b)

dags

c)

dagen

51.

1 man - 5 ....

a)

manen

b)

mans

c)

mannen

52.

1 koe - 2....

a)

koei

b)

koes

c)

koeien

53.

Wat is het voltooid deelwoord van 'denken'?

a)

gedenkt

b)

gedacht

c)

gedenkd

54.

Wat is het voltooid deelwoord van 'drinken'?

a)

gedrinkt

b)

gedronken

c)

gedronkt

55.

Wat is het voltooid deelwoord van 'eten'?

a)

gegeten

b)

geeet

c)

eet

56.

Wat is het voltooid deelwoord van 'krijgen'?

a)

gekrijgt

b)

gekrijgd

c)

gekregen

57.

Wat is het voltooid deelwoord van 'doen'?

a)

gedoet

b)

gedaan

c)

gedoend