wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets E1.1

Total questions: 16

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een basisbehoefte?

a)

Alles waarmee je in je behoeften kunt voorzien.

b)

Alles wat je echt nodig hebt om te kunnen leven.

c)

Alles wat je leven leuker of makkelijker maakt.

d)

Alles wat je nodig hebt of graag wilt hebben.

2.

Zijn de volgende producten een basisbehoefte of een overige behoefte?

drinken

a)

basisbehoefte

b)

overige behoefte

3.

Zijn de volgende producten een basisbehoefte of een overige behoefte?

onderdak

a)

basisbehoefte

b)

overige behoefte

4.

Zijn de volgende producten een basisbehoefte of een overige behoefte?

tablet

a)

basisbehoefte

b)

overige behoefte

5.

Zijn de volgende producten een basisbehoefte of een overige behoefte?

vakantie

a)

basisbehoefte

b)

overige behoefte

6.

Het ruilen van spullen noem je (a)   ruil.

7.

Iets ruilen voor geld is (a)   ruil.

8.

Welke zinnen gaan over directe ruil? Kies de twee juiste zinnen.

a)

Op internet bestel je een nieuw boek dat je betaalt met iDEAL.

b)

Omdat je hebt geholpen met schilderen mag je mee naar de bioscoop.

c)

Je rekent je nieuwe T-shirt af met je pinpas.

d)

Je vriend en jij ruilen games met elkaar.

9.

Wat zijn diensten? Kies het juiste antwoord.

a)

Niet-tastbare producten. Iemand doet iets voor jou.

b)

Niet-tastbare producten. Voorwerpen die je kunt aanraken.

c)

Tastbare producten. Iemand doet iets voor jou.

d)

Tastbare producten. Voorwerpen die je kunt aanraken.

10.

Een consument is iemand die ________ of ________ koopt om in zijn eigen behoeften te voorzien.

(a)  

11.

Een consument is iemand die goederen of diensten koopt om in zijn eigen (a)   te voorzien.

12.

Lees de bron hiernaast. Welke conclusie past bij deze bron?

Kies het juiste antwoord.

a)

Boeren verkopen meer aan supermarkten.

b)

Consumenten letten meer op gezond voedsel.

c)

Directe ruil nam toe in de coronatijd.

d)

In coronatijd hadden boeren weinig klanten.

13.

Noteer het bedrag op de juiste manier: 84

(a)  

14.

Noteer het bedrag op de juiste manier: €112.75

(a)  

15.

Noteer het bedrag op de juiste manier: €59,00,-

(a)  

16.

Je hebt boodschappen gedaan en komt met de volgende producten thuis:

  • - spaghetti € 0,69

  • - gehakt € 1,89

  • - pastasaus € 2,15

Bereken op je kladblaadje de gemiddelde prijs van de gekochte producten.

(a)