wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2HV T5 Erfelijkheid en evolutie B1-8

Total questions: 38

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel chromosomen heeft een mens?

(a)  

2.

Wat is het genotype van de geslachtschromosomen van een jongen?

(a)  

3.

Wat is het genotype van de geslachtschromosomen van een meisje?

(a)  

4.

Waar liggen de chromosomen in de cel?

a)

In de ribosomen

b)

Op de genen

c)

In het DNA

d)

In de celkern

e)

In de mitochondriën

5.

Waaruit bestaan chromosomen?

(a)  

6.

In de afbeelding zie je een chromosoomportret (karyogram). Kan dit portret van een mens zijn?

a)

Ja

b)

Nee

7.

Welke geslachtscel bepaalt het geslacht?

a)

de eicel

b)

de zaadcel

8.

Hebben eeneiige tweelingen hetzelfde genotype? En hetzelfde fenotype?

a)

Hetzelfde genotype

Hetzelfde fenotype

b)

Ander genotype

Hetzelfde fenotype

c)

Ander genotype

Ander fenotype

d)

Hetzelfde genotype

Ander fenotype

9.

Waar staat het gen voor je haarkleur uit?

a)

Levercellen

b)

Darmcellen

c)

Cellen in een haarzakje

d)

Huidcellen

10.

Bij een kikker bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 13 chromosomen. Wat voor type cel is dit?

a)

Geslachtscel

b)

Lichaamscel

c)

Kan allebei

11.

Is het gen voor de ziekte van Huntington dominant of recessief, of kan je dat niet uit de gegevens halen?

a)

Het gen is dominant

b)

Het gen is recessief

c)

Dat kan je niet weten

12.

Is het rechterchromosomenpaar heterozygoot of homozygoot?

a)

Heterozygoot

b)

Homozygoot

c)

Allebei

13.

Wat is het genotype van de linker meneer?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

14.

Het genotype van de middelste jongen is:

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

15.

Hoeveel chromosomen komen voor in een cel in de wand van de zaadleider van de man?

(a)  

16.

Er is sprake van twee soorten als....

a)

de soorten geïsoleerd van elkaar leven

b)

als het DNA van de twee soorten verschillend is

c)

de soorten niet meer in staat zijn onderling voort te planten

d)

als het genotype en fenotype van de twee soorten verschillend is

17.

Stelling: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geïsoleerd raakt van een andere groep soortgenoten.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Is het fokken van katten natuurlijke selectie of kunstmatige selectie?

a)

Natuurlijke selectie

b)

Kunstmatige selectie

19.

Is het veranderen van de schutkleur van vlinders natuurlijke selectie of kunstmatige selectie?

a)

Natuurlijke selectie

b)

Kunstmatige selectie

20.

Het sterven van de kleinere giraffe is een voorbeeld van...

a)

Kunstmatige selectie

b)

Natuurlijke selectie

c)

Evolutie

d)

Variatie in genotype

e)

Isolatie

21.

Generaties later zijn de nekken van de giraffen allemaal een stuk langer. Dit is een voorbeeld van...

a)

Kunstmatige selectie

b)

Natuurlijke selectie

c)

Evolutie

d)

Variatie in genotype

e)

Isolatie

22.

Een soort kan in één generatie compleet een nieuwe soort vormen (evolutie).

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Een fruitvlieg leeft 2-9 weken, en heeft maar 4 paar chromosomen. Gaat de evolutie bij de fruitvlieg sneller of langzamer dan bij de mens?

a)

sneller

b)

langzamer

24.

Een fruitvlieg leeft 2-9 weken, en heeft maar 4 paar chromosomen. Hoeveel chromosomen zitten er dan in de bevruchte eicel van een fruitvlieg?

(a)  

25.

De bonobo is het meest verwant aan de....

a)

Mens

b)

Gorilla

c)

Oerang-Oetan

26.

De bonobo is het meest verwant aan de....

a)

Mens

b)

Gorilla

c)

Oerang-Oetan

27.

De Gorilla is het meest verwant aan de....

a)

Chimpansee

b)

Oerang-oetan

c)

Gibbon

28.

Vlinders en vleermuizen hebben allebei vleugels. Ze hebben dezelfde functie, maar een verschillende bouw.

De vleugels van de vlinders en vleermuizen zijn daarmee het bewijs voor hun verwantschap.

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

De arm van een mol heeft dezelfde bouw (de botten) als die van een mens. Wel heeft de arm een verschillende vorm. Dit is een bewijs voor de verwantschap tussen een mens en een mol.

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Wat zijn voorbeelden van rudimentaire organen? Kruis ze aan.

a)

De staartwervels van een mens.

b)

De botten van dijbenen in walvissen en slangen.

c)

De verschillende vleugels van vlinders en vleermuizen.

d)

De opbouw van botten in bv. een vogel.

31.

Wat hoort er bij 'eDNA'?

a)

DNA dat in een bepaalde omgeving wordt verzameld

b)

test die DNA uit cellen onderzoekt

c)

Recombinante DNA techniek

d)

transgeen organisme

32.

Het gebruik van gisten (schimmels) om broden te maken is een voorbeeld van:

a)

Biotechnologie

b)

Genetische modificatie

c)

Recombinante DNA techniek

d)

CRISPR-Cas

33.

Met welke techniek kan je een bestaand gen wijzigen?

a)

DNA-test

b)

eDNA

c)

Recombinante DNA techniek

d)

CRISPR-Cas

e)

Genomics

34.

Hoe noem je een organisme waarvan het DNA is aangepast?

(a)  

35.

Als je een genetisch gemodificeerd organisme (transgeen) wilt maken, welke cellen kan je dan het beste aanpassen?

a)

Lichaamscellen van een embryo.

b)

Lichaamscellen van een volwassenen.

c)

Geslachtscellen

d)

Maakt niet uit

36.

Aardbeienplanten kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten door een lange uitloper te vormen. Hieruit ontstaat er een nieuwe plant. Welke uitspraak past het beste bij deze omschrijving?

a)

De relatie tussen de twee planten is zoals een moeder-dochter relatie.

b)

De relatie tussen de twee planten is zoals een eeneiige tweeling.

c)

De relatie tussen de twee planten is zoals een twee-eiige tweeling.

d)

De relatie tussen de twee planten is zoals een broer-zus relatie.

37.

Aardbeienplanten kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten door een lange uitloper te vormen. Hieruit ontstaat er een nieuwe plant.

Welke van de onderstaande uitspraken zijn juist?

a)

Het fenotype tussen de twee planten verschilt sowieso

b)

Het fenotype tussen de twee planten kan verschillen, maar hoeft niet

c)

Het genotype tussen de twee planten verschilt sowieso

d)

Het genotype tussen de twee planten verschilt niet

e)

Het genotype tussen de twee planten kan verschillen, maar hoeft niet

38.

Geef de complementaire DNA streng van: ACTGA

(a)