wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets evolutie

Total questions: 30

Worksheet time: 2hrs 26mins

Name
Class
Date
1.

Een voorbeeld van evolutie is...

a)

het fokken van kippen die steeds meer eieren leggen

b)

een veranderd landschap na een aardbeving

c)

het verliezen van ogen bij dieren die in donkere grotten leven

d)

het fokken van haarloze ratten als laboratoriumproefdier

2.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

3.

Wie ontdekte de evolutietheorie?

a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
4.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
5.

Met DNA kan worden nagegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voorouder hebben.

a)
Waar
b)
Niet waar
6.

Welke twee zinnen zijn voorbeelden van het evolutie begrip variatie?

a)

Slakkenhuisjes met elk een andere kleur

b)

Het patroon van het haar van een kat

c)

Het verschil tussen de skeletten van een mens en een aap

d)

Een mannelijk en vrouwelijk organisme van de zelfde soort

7.
Behoren steppezebra's (Equus quagga) en bergzebra's (Equus zebra) tot dezelfde biologische soort?
a)
Ja, want de soortnaam is hetzelfde
b)
Ja, want de familienaam is hetzelfde
c)
Nee, want de soortnaam is anders
d)
Nee, want de familienaam is anders
8.

Wat is natuurlijke selectie?

a)

De sterkste dieren overleven

b)

De dieren worden witter

c)

Een erfelijk foutje

d)

De natuur verandert

9.

Op de afbeelding zie je een berkenspanner. Deze camouflage-kleur is ontstaan door natuurlijke selectie.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Met welke letters zijn soorten aangegeven die uit soort 1 zijn ontstaan?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

e)

E

11.

Hoeveel miljoen jaar geleden begin de Jura?

(a)  

12.

Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:
Katrien zegt: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten
Marion zegt: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geïsoleerd raakt van een andere groep soortgenoten

Wie heeft gelijk?

a)

Beide hebben gelijk

b)

Alleen Katrien heeft gelijk

c)

Alleen Marion heeft gelijk

d)

Beide hebben ongelijk

13.

Welke soort is het meest recent ontstaan: A of C?

Soort B toont het meeste verwantschap met soort: D of E?

a)

A - E

b)

A - D

c)

C - D

d)

C - E

14.

Wat is de jongste periode van het Palaeozoicum?

a)

Ordovicium

b)

Cambrium

c)

Perm

d)

Trias

e)

Precambrium

15.

Welke uitspraken zijn waar?

a)

Walvissen en varkens hebben een gemeenschappelijke voorouder

b)
  1. Een dwerghert heeft meer verwantschap met een pekari dan met een giraffe

c)
  1. Muskusherten en herten hebben de meest recente voorouder

16.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn.

Waar is in deze populatie spraken van?

a)

Natuurlijke selectie

b)

Isolatie

c)

Concurrentie

17.

VWO: Hawaï is een groep eilanden in de Stille Oceaan. Ze zijn op verschillende tijdstippen in het verleden door vulkaanuitbarstingen ontstaan. Soms ontstonden een paar eilanden op hetzelfde moment. Zo zijn Molokai, Lanai, Kahoolawe en Maui even oud.
Op de eilanden komen veel verschillende soorten fruitvliegen voor. In het verleden zijn fruitvliegen ook wel van het ene eiland naar het andere eiland gegaan. Dit wordt migratie genoemd (zie de afbeelding). Na migratie zijn dan door evolutie nieuwe soorten ontstaan op het andere eiland.

Naar aanleiding van de afbeelding worden twee uitspraken gedaan. Welke uitspraken zijn juist?

a)

Wanneer er migratie tussen twee eilanden heeft plaatsgevonden, was dat altijd in twee richtingen.

b)
  1. Er zijn evenveel fruitvliegsoorten uit Oahu gemigreerd als er soorten heen zijn gegaan.

18.

In welke periode was, volgens de afbeelding, het grootste aantal soorten amfibieën aanwezig?

a)

Het Carboon

b)

Het Devoon

c)

Het Neozoïcum

19.

Uit welke diergroep hebben de vogels en de zoogdieren zich volgens de afbeelding hebben ontwikkeld.

(a)  

20.

Van huisjesslakken zullen meer fossielen gevonden worden dan van naaktslakken.

a)

Juist, omdat en meer huisjesslakken zijn.

b)

Onjuist, omdat er meer naaktslakken zijn.

c)

Juist, omdat het huisje niet zo snel vergaat.

d)

Onjuist, omdat naaktslakken makkelijker bedekt worden met sediment.

21.

De Coloradokever leeft onder andere op de Aardappel (Solanum tuberosum L.), op de Tomaat (Solanum lycopersum L.) en op Bitterzoet (Solanum dulcamara L.).

Behoren deze planten tot hetzelfde geslacht? En tot dezelfde soort?

a)

alleen tot hetzelfde geslacht

b)

alleen tot dezelfde soort

c)

 zowel tot hetzelfde genus als tot dezelfde soort

22.

VWO: Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten' (natuurlijke selectie).

Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?

a)

De individuen bij wie de verhouding oppervlakte/inhoud het grootst is.

b)

  De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.

c)

De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.

d)

De individuen die het langste leven.

23.

VWO: In Nederland komen spechten voor. Deze vogels leven voornamelijk in bosrijke gebieden. Ze zijn aangepast aan het leven in bomen. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit insecten die ze met hun snavel uit de spleten in de boomschors halen. Sommige spechten hakken in stammen van omgevallen bomen om daaruit larven van houtetende insecten te halen.
In bron 1 zijn vier spechten afgebeeld:
• figuur 1 een jonge grote bonte specht (Dendrocopos major);
• figuur 2 een volwassen grote bonte specht (Dendrocopos major);
• figuur 3 een kleine bonte specht (Dendrocopos minor);
• figuur 4 een groene specht (Picus viridis).

Tot hoeveel soorten en geslachten horen deze vier spechten?

a)

tot vier soorten en drie geslachten

b)

tot vier soorten en twee geslachten

c)

tot drie soorten en drie geslachten

d)

tot drie soorten en twee geslachten

e)

tot twee soorten en twee geslachten

24.

Als een populatie verkleint, neemt dan de overlevingskans toe, af of blijft het gelijk?

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

c)

Blijft gelijk

25.

’s Zomers als het warm is, zie je soms groene lagen op het water van sloten en meren drijven. Het lijkt alsof er groene olieverf op het water is gemorst. Deze lagen bestaan uit zogenaamde ‘blauwwieren’, die zich bij warm weer in voedselrijk water snel vermeerderen. Blauwwieren zijn geen echte wieren. Het zijn eencellige organismen die wel een celwand hebben, maar geen celkern en geen bladgroenkorrels.

Tot welk rijk behoren blauwwieren?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dieren

26.

Voor microscopisch onderzoek wordt een preparaat gemaakt van ontlasting. In dat preparaat bevinden zich onder andere bacteriën, cellen van een koolplant en cellen van de darmwand.
In de afbeelding hieronder zijn deze drie soorten cellen weergegeven.

Welke letter geeft bacteriën aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

27.

Een groep bacteriën die door celdeling uit één bacterie is ontstaan, noemt men een bacteriekolonie.
Als de omstandigheden gunstig zijn, kunnen bacteriën zich zeer snel delen. Bij een bepaalde bacteriesoort kan er elke vijf minuten een celdeling plaats vinden. Eén zo’n bacterie deelt zich, zodat er na vijf minuten twee bacteriën zijn. Op deze manier ontstaat uit die ene bacterie een kolonie.

Uit hoeveel bacteriën kan deze kolonie dan maximaal bestaan na 30 minuten?

(a)  

28.

Welke uitspraken zijn waar?

a)

Dit dier is niet-symmetrisch

b)

Deze dieren leven op de bodem van de zee

c)

Dit dier heeft geen skelet

d)

Dit dier behoort tot de stekelhuidigen

29.

Volgens de evolutietheorie hebben de Aziatische en de Afrikaanse olifant zich ontwikkeld uit ‘oer-olifantachtigen’ die ruim 50 miljoen jaar geleden op aarde leefden.

Hoeveel groepen olifantachtigen kwamen er voor in het begin van het Plioceen
volgens de stamboom?

a)

2

b)

8

c)

9

d)

10

e)

15

30.

Hoeveel soorten zijn uitgestorven in het pleistoceen?

(a)