wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HAVO 4 vertering

Total questions: 35

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
2.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
3.

Deze darm bevat darmvlokken.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

d)

Alle genoemde onderdelen

4.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
5.

Vier beweringen over de spijsvertering zijn:


1) maagsap bevat een enzym dat eiwitten verteert

2) toevoeging van maagsap aan de spijsbrij verhoogt de pH daarvan

3) alvleessap bevat een enzym dat eiwitten verteert

4) resorptie van stoffen vindt alleen plaats vanuit de dunne darm


Welke beweringen zijn juist?

a)

1 en 2

b)

1 en 3

c)

1, 2 en 3

d)

allemaal

e)

2 en 3

6.

De volgende drie typen voedingsstoffen nuttigt een mens: koolhydraten, vitamines, eiwitten, vetten en zouten.


Welke van deze voedingsstoffen kunnen als brandstof dienen?

a)

Koolhydraten en vetten

b)

Koolhydraten, eiwitten en vetten

c)

Koolhydraten en eiwitten

d)

Vetten en eiwitten

7.

Glucose is een

a)

monosacharide

b)

disacharide

c)

polysacharide

d)

aminozuur

8.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
9.

Wat is het afbraakproduct van zetmeel?

a)

een polysacahride

b)

Vetzuren

c)

Aminozuren

d)

Glucose

10.

Welk enzym helpt er bij de afbraak van eiwitten?

a)

Amylase

b)

Lipase

c)

Maltase

d)

Peptidase

11.

Tot welke afbraakproducten wordt vet afgebroken

a)

Glucose

b)

Vetzuren

c)

Glycerol en vetzuren

d)

Sacharides

12.

Welke stof is opgebouwd uit aminozuren?

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

d)

suikers

13.

Wat valt er onder bouwstof?

Vink aan welke onderstaande stoffen bouwstoffen zijn.

a)

Water

b)

Eiwitten

c)

Vetten

d)

Mineralen

e)

Koolhydraten

14.

Hoe ziet het verbrandingsproces eruit?

a)

Brandstof + energie -> zuurstof + verbrandingsproducten

b)

Brandstof + stikstof-> energie + verbrandingsproducten

c)

Brandstof + zuurstof -> Stikstof + verbrandingsproducten

d)

Brandstof + zuurstof -> energie + verbrandingsproducten

15.

Wat levert de meeste energie in kcal per molecuul

a)

Vet

b)

Koolhydraten

c)

Eiwitten

d)

Enzymen

16.

Wat is de functie van vet?

a)

Isolatie

b)

Steun

c)

Energie leveren en opslag

d)

Bouwstof

e)

Al het bovenstaande

17.

Welk enzym uit pancreassap (alvleessap) verteert eiwitten?

a)

Lipase

b)

Tripsine

c)

Erepsine

d)

Peptidase

18.

Het hormoon insuline is een eiwit. Iemand met een insuline tekort kan dit niet verhogen door dit hormoon via de mond in te nemen. De verklaring hiervoor is dat:

a)

Insuline in het darmkanaal wordt verteerd

b)

insuline de werking van de lever beïnvloedt en niet die van het darmkanaal

c)

insuline, direct na opname in het bloed vanuit het darmkanaal, in de lever wordt afgebroken

d)

toename van de insulineconcentratie in de dunne darm de afgifte van insuline remt.

19.

Wat is waar? (één antwoord is goed) Het enzym amylase dat in de alvleessap van de mens voorkomt:

a)

Zet zetmeel om in een stof die gemakkelijk in het bloed kan worden opgenomen

b)

voltooit de vertering van koolhydraten

c)

zet glucose om in amylum

d)

zet bepaalde polysachariden om in disachariden

20.

Het verslappen van de sluitspier van de maag (maagportier) wordt bevorderd wanneer:

a)

De basische stof in het alvleessap in de twaalfvingerige darm in overmaat aanwezig is

b)

Het zoutzuur (HCL) in de twaalfvingerige darm in overmaat aanwezig is.

c)

De wand van de twaalfvingerige darm wordt uitgerekt

d)

Door de werking van lipase vetzuur in de twaalfvingerige darm ontstaat

21.

Welke van onderstaande stoffen worden bij de mens gewoonlijk zonder vertering door de wand van de dunne darm in het bloed opgenomen?

a)

aminozuren

b)

eiwitten

c)

glucose

d)

keukenzout

e)

zetmeel

22.

Stoffen die nodig zijn voor de vertering van vetten kan met aantreffen in:

a)

Q, P en O

b)

Q en P

c)

P en O

d)

Alleen P

23.

Welke van onderstaande beweringen over enzymen is juist?

a)

Een enzym wordt bij het deelnemen aan een reactie verbruikt.

b)

Enzymen zijn voornamelijk opgebouwd uit koolhydraten

c)

Een enzym kan slechts 1 bepaalde reactie beïnvloeden

d)

De productie van enzymen in het lichaam is onafhankelijk van de door het lichaam opgenomen voedingstoffen.

24.

In welke organen kunnen eiwitten verteerd worden?

a)

Mond

b)

Slokdarm

c)

Maag

d)

Dunne darm

25.

Het begrip spijsvertering is het best te omschrijven als:

a)

de verbranding van voedsel, waardoor energie vrijkomt

b)

de opbouw van eiwitten uit voedsel

c)

het afbreken van grote moleculen, zodat er kleinere ontstaan

d)

het veranderen van voedsel in stoffen, die worden opgeslagen

26.

Welk van onderstaande processen wordt door insuline gestimuleerd?

a)

glycogeenvorming in lever en spieren

b)

resorptie van glucose uit de dunne darm in het bloed

c)

vertering van zetmeel in de twaalfvingerige darm

d)

vetafbraak in de lever

27.

Van welke voedingsstof is de afbraak weergegeven in de afbeelding?

a)

Eiwit

b)

Glycogeen

c)

Vet

d)

Zetmeel

e)

Aminozuur

28.

Welke functies heeft het sap dat door de maagwand wordt afgescheiden?

a)

emulgeren van vetten

b)

doden van bacteriën

c)

vertering van koolhydraten

d)

vertering van eiwitten

29.

Welke enzymen zijn verantwoordelijk voor de vertering van koolhydraten?

a)

Amylase, lipase, protease

b)

Lipase, protease, cellulase

c)

Amylase, cellulase, lactase

30.

Wat gebeurt er tijdens de vertering van eiwitten?

a)

Enzymen scheiden de eiwitten af in aminozuren

b)

Enzymen breken de eiwitten af in suikers

c)

Enzymen veranderen eiwitten in vetten

31.

Waar in het spijsverteringskanaal vindt de meeste vetvvertering plaats?

a)

Mond

b)

Maag

c)

Darmen

d)

Lever

32.

Wat gebeurt er met de verteerde voedingsstoffen na vertering?

a)

Ze worden opgenomen in het bloed en naar de cellen vervoerd

b)

Ze worden opgenomen in het bloed en naar de lever vervoerd

c)

Ze worden opgenomen in het bloed en naar de nieren vervoerd

33.

Wat gebeurt er als de enzymen die verantwoordelijk zijn voor de vertering van lactose ontbreken?

a)

De lactose blijft onverteerd in de darmen

b)

Lactose wordt afgebroken in glucose en galactose

c)

Lactose wordt afgebroken in fructose en glucose

34.

Welk enzym is verantwoordelijk voor de afbraak van maltose in glucose?

a)

Amylase

b)

Lipase

c)

Maltase

d)

Protease

35.

Wat is pepsinogeen?

a)

Een enzym dat betrokken is bij de afbraak van eiwitten

b)

Een precursor van het enzym pepsine

c)

Een stof die betrokken is bij de opname van vitamine C