wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NASK1 - definities periode 1

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Spierkracht

a)

Kracht die ontstaat doordat de spieren in een lichaam zich samentrekken.

b)

Kracht die in een touw ontstaat als er aan beide uiteinden wordt getrokken.

2.

Aangrijpingspunt

a)

Geeft aan waar de kracht aangrijpt

b)

Kracht waarmee de aarde aan jou trekt en aan alles om je heen.

3.

Normaalkracht

a)

Kracht die werkt tussen de 2 polen van een magneet. Kan afstotend of aantrekkend zijn.

b)

Kracht die een oppervlak uitoefent op een voorwerp dat op dat oppervlak staat.
De normaalkracht staat loodrecht op het oppervlak.

4.

Spaarlamp

a)

Lamp die licht produceert met een gloeidraad die gloeiend heet wordt als er stroom doorheen loopt.

b)

Lamp die licht produceert door een elektrische stroom door een dun gebogen buisje met gas te sturen.

5.

Permanente magneet

a)

Stuk metaal dat blijvend magnetisch is gemaakt.

b)

Soort ijzer dat je heel gemakkelijk magnetisch kunt maken, maar dat zijn magnetisme ook heel gemakkelijk weer verliest.

6.

Natuurlijk broeikaseffect

a)

Broeikasgas dat altijd al in de atmosfeer voorkwam, maar waarvan de hoeveelheid de laatste eeuwen sterk is gegroeid door de verbranding van fossiele brandstoffen.

b)

Opwarming van de atmosfeer door broeikasgassen die een natuurlijk bestanddeel van de atmosfeer vormen (zoals natuurlijk koolstofdioxide).

7.

Generator

a)

Onderdeel van een zonnepaneel dat elektrische energie produceert als er zonlicht op valt.

b)

Apparaat dat elektrische energie produceert, als je zijn as aan het draaien brengt (een soort grote dynamo)

8.

Omvormer

a)

Proces waarbij de ene soort energie verandert in een andere of in verschillende andere energiesoorten.

b)

Apparaat dat de elektrische energie van zonnepanelen geschikt maakt voor het lichtnet, zodat de energie door apparaten in huis kan worden gebruikt.

9.

Rendement

a)

Apparaat dat elektrische energie produceert, als je zijn as aan het draaien brengt (een soort grote dynamo)

b)

Percentage dat aangeeft welk deel van de opgenomen energie wordt omgezet in de gewenste energiesoort.

10.

Weekijzer

a)

Soort ijzer dat je heel gemakkelijk magnetisch kunt maken, maar dat zijn magnetisme ook heel gemakkelijk weer verliest.

b)

Stuk metaal dat blijvend magnetisch is gemaakt.

11.

Rendement

a)

Percentage dat aangeeft welk deel van de opgenomen energie wordt omgezet in de gewenste energiesoort.

b)

Eigenschap van een apparaat dat het weinig energie nodig heeft om een bepaalde taak uit te voeren (vergeleken met soortgelijke apparaten).

12.

Stoomturbine

a)

Wiel met schoepen dat snel gaat ronddraaien als er hete stoom tegenaan spuit.

b)

Moderne windmolen die elektrische energie produceert.

13.

Windturbine

a)

Moderne windmolen die elektrische energie produceert.

b)

Wiel met schoepen dat snel gaat ronddraaien als er hete stoom tegenaan spuit.

14.

Geleiding

a)

Vorm van warmtetransport door een stof heen die zelf niet beweegt.

b)

Vorm van warmtetransport waarbij infrarode straling of licht de warmte vervoert.

15.

Gloeilamp

a)

Lamp die licht produceert met een gloeidraad die gloeiend heet wordt als er stroom doorheen loopt.

b)

Lamp die licht produceert door een elektrische stroom door een dun gebogen buisje met gas te sturen.

16.

Waterkrachtcentrale

a)

Proces in de groene delen van planten, waarbij de stralingsenergie van zonlicht wordt omgezet in chemische energie.

b)

Centrale die de zwaarte-energie van het water in een stuwmeer omzet in elektrische energie.

17.

Fotosynthese

a)

Proces in de groene delen van planten, waarbij de stralingsenergie van zonlicht wordt omgezet in chemische energie.

b)

Centrale die de zwaarte-energie van het water in een stuwmeer omzet in elektrische energie.

18.

Wet van behoud van
                energie

a)

Omschakeling van vervuilende, niet-duurzame energiebronnen (zoals fossiele brandstoffen) naar schone en duurzame energiebronnen (zoals zon en wind).

b)

Regel die stelt dat er bij een energie-omzetting geen energie verloren gaat;
de hoeveelheid energie blijft even groot.

19.

Potentiële energie/
zwaarte-energie

a)

Energie die bewegende dingen hebben als gevolg van het feit dat ze bewegen.

b)

Energie die een voorwerp heeft door de hoogte waarop het zich bevindt.

20.

Bewegingsenergie/
kinetische energie

a)

Energie die een voorwerp heeft door de hoogte waarop het zich bevindt.

b)

Energie die bewegende dingen hebben als gevolg van het feit dat ze bewegen.

21.

Temperatuur-warmte-
diagram

a)

Diagram waarin je de temperatuur uitzet tegen de hoeveelheid toegevoegde warmte.

b)

Diagram waarin je de temperatuur (bijvoorbeeld van een vloeistof die je verwarmt) uitzet tegen de tijd.

22.

Trekkracht

a)

Kracht die een deel van een constructie uitrekt.

b)

Kracht die een deel van een constructie in elkaar drukt.

23.

Drukkracht

a)

Kracht die een deel van een constructie in elkaar drukt.

b)

Kracht die een deel van een constructie uitrekt.

24.

Ontbinden
(van krachten)

a)

Vervangen van 1 kracht die op 2 onderdelen van een constructie werkt, door 2 nieuwe krachten F1 en F2. De een op het ene onderdeel, de andere op het andere onderdeel.

b)

Tekenen van een krachtenparallellogram, om de nettokracht te vinden.

25.

Construeren
(van de resultante)

a)

Tekenen van een krachtenparallellogram, om de nettokracht te vinden.

b)

Vervangen van 1 kracht die op 2 onderdelen van een constructie werkt, door 2 nieuwe krachten F1 en F2. De een op het ene onderdeel, de andere op het andere onderdeel.

26.

Temperatuur-tijd-
diagram

a)

Diagram waarin je de temperatuur uitzet tegen de hoeveelheid toegevoegde warmte.

b)

Diagram waarin je de temperatuur (bijvoorbeeld van een vloeistof die je verwarmt) uitzet tegen de tijd.

27.

Warmtetransport

a)

Verschijnsel dat warmte uit zichzelf beweegt van een plaats met de hoogste temperatuur naar een plaats met de laagste temperatuur.

b)

Stof waar de warmte gemakkelijk doorheen beweegt.

28.

Stroming

a)

Vorm van warmtetransport waarbij er een beweging ontstaat in een gas of vloeistof die de warmte meeneemt.

b)

Vorm van warmtetransport door een stof heen die zelf niet beweegt.

29.

Straling

a)

Vorm van warmtetransport waarbij er een beweging ontstaat in een gas of vloeistof die de warmte meeneemt.

b)

Vorm van warmtetransport waarbij infrarode straling of licht de warmte vervoert.

30.

Chemische energie

a)

Soort energie waarop elektrische apparaten werken.
Sommige apparaten werken op elektrische energie uit een batterij of een accu, andere krijgen elektrische energie geleverd via het lichtnet. 

b)

Soort energie die in een stof is opgeslagen. Je kunt de chemische energie in een brandstof omzetten in warmte door de brandstof te verbranden.

31.

Uitrekking

a)

(Loodrechte) afstand tussen werkkracht en draaipunt.

b)

Het aantal centimeters dat een veer langer wordt als je er gewichtjes aan hangt.

32.

Elektrische energie

a)

Soort energie die in een stof is opgeslagen. Je kunt de chemische energie in een brandstof omzetten in warmte door de brandstof te verbranden.

b)

Soort energie waarop elektrische apparaten werken.
Sommige apparaten werken op elektrische energie uit een batterij of een accu, andere krijgen elektrische energie geleverd via het lichtnet. 

33.

Isolatiemateriaal

a)

Stof waar de warmte gemakkelijk doorheen beweegt.

b)

Materiaal dat wordt gebruikt om warmtetransport zo veel mogelijk tegen te gaan. De isolerende werking is te danken aan lucht die in talloze kleine ruimtes in het materiaal zit opgesloten.

34.

Kelvinschaal

a)

Temperatuurschaal die begint bij het absolute nulpunt
(0K = -273 °C)

b)

Goed geïsoleerd bakje van metaal of plastic waarin je een vloeistof kunt verwarmen met een dompelaar. De temperatuur van die vloeistof wordt gemeten met een thermometer.

35.

Indampen

a)

Stoffen die je niet wilt hebben, scheiden van een stof die je nodig hebt, zodat de laatste stof in zuivere vorm overblijft.

b)

Scheidingsmethode waarbij je een opgeloste stof scheidt van het oplosmiddel door het oplosmiddel te verdampen.

36.

Zuiveren

a)

Stoffen die je niet wilt hebben, scheiden van een stof die je nodig hebt, zodat de laatste stof in zuivere vorm overblijft.

b)

Scheidingsmethode waarbij je een opgeloste stof scheidt van het oplosmiddel door het oplosmiddel te verdampen.

37.

Ontleden

a)

Reactie waarbij 1 stof verdwijnt en twee of meerdere stoffen ontstaan.

b)

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden.

38.

Filteren

a)

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden.

b)

Reactie waarbij 1 stof verdwijnt en twee of meerdere stoffen ontstaan.

39.

Stolpunt

a)

Constante temperatuur waarbij een stof smelt.

b)

Constante temperatuur waarbij een stof stolt (vast wordt).
Het stolpunt heeft dezelfde waarde als het smeltpunt.

40.

Mengsel

a)

Stof waarin moleculen van verschillende stoffen (dus verschillende soorten moleculen) aanwezig zijn.

b)

Stof waarin alleen moleculen van 1 stof (dus 1 soort moleculen) aanwezig zijn.

41.

Fase

a)

Vorm waarin een stof voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.

b)

Proces waarbij 1 of meer stoffen verdwijnen en tegelijkertijd 1 of meer andere stoffen ontstaan.

42.

Kookpunt

a)

Constante temperatuur waarbij een stof kookt.

b)

Constante temperatuur waarbij een stof stolt (vast wordt).
Het stolpunt heeft dezelfde waarde als het smeltpunt.

43.

Concentratie

a)

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden

b)

Omschrijving die duidelijk maakt hoeveel stof is opgelost per hoeveelheid oplosmiddel.

44.

Oplosbaarheid (in water)

a)

Eigenschap die aangeeft of je een stof goed, matig of niet kunt oplossen in water.

b)

Omschrijving die duidelijk maakt hoeveel stof is opgelost per hoeveelheid oplosmiddel.

45.

H-zin

a)

Zin die aangeeft voor welk gevaar je moet oppassen als je die stof gebruikt.

b)

Zin die aangeeft welke voorzorgsmaatregelen je moet nemen als je die stof gebruikt.

46.

P-zin

a)

Zin die aangeeft welke voorzorgsmaatregelen je moet nemen als je die stof gebruikt.

b)

Zin die aangeeft voor welk gevaar je moet oppassen als je die stof gebruikt.

47.

Dubbele hefboom

a)

Werktuig dat bestaat uit twee hefbomen die om hetzelfde draaipunt draaien.

b)

Werkkracht x werkarm = last x lastarm, of in de vorm van een formule F1 · l1 = F2 · l2

48.

Vluchtig

a)

(van een stof): snel verdampend.

b)

(van een stof): de eigenschap om gemakkelijk in brand te kunnen vliegen.

49.

Ontvlambaar

a)

(van een stof): snel verdampend.

b)

(van een stof): de eigenschap om gemakkelijk in brand te kunnen vliegen.

50.

Zwaartepunt

a)

Kracht waarmee de aarde aan jou trekt en aan alles om je heen.

b)

Een (denkbeeldig) punt waar je de zwaartekracht op een voorwerp kunt laten aangrijpen.

51.

Gifwijzer

a)

Een boekje of een app met informatie over giftige planten en stoffen.

b)

Kaart met (1) de eigenschappen en de gevaren van een stof:
(2) de veiligheidsmaatregelen die je moet nemen als je met die stof werkt.

52.

Magnetische kracht

a)

Kracht die werkt tussen de 2 polen van een magneet. Kan afstotend of aantrekkend zijn.

b)

Instrument met een spiraalveer waarmee je de grootte van krachten kunt meten.

53.

Veiligheidskaart

a)

Een boekje of een app met informatie over giftige planten en stoffen.

b)

Kaart met (1) de eigenschappen en de gevaren van een stof:
(2) de veiligheidsmaatregelen die je moet nemen als je met die stof werkt.

54.

Krachtenschaal

a)

Werkkracht x werkarm = last x lastarm, of in de vorm van een formule F1 · l1 = F2 · l2

b)

Verhouding die je kiest om krachten te kunnen tekenen. Geeft aan met hoeveel newton (N) één centimeter (cm) van de krachtenpijl overeenkomt.

55.

Klein chemisch afval

a)

Kaart met (1) de eigenschappen en de gevaren van een stof:
(2) de veiligheidsmaatregelen die je moet nemen als je met die stof werkt.

b)

Huishoudelijk afval dat bestaat uit gevaarlijke stoffen en daarom apart van het overig afval wordt ingezameld en verwerkt.

56.

Nettokracht

a)

De optelsom van alle krachten die op een voorwerp werken.

b)

Kracht die je zelf op een hefboom uitoefent.

57.

Slappe veer

a)

Veer die gemakkelijk uitrekt. Krachtmeters met een slappe veer zijn bedoeld om kleine krachten te meten.

b)

Veer die moeilijk uitrekt. Krachtmeters met een stugge veer zijn bedoeld om grote krachten te meten.

58.

Stugge veer

a)

Veer die moeilijk uitrekt. Krachtmeters met een stugge veer zijn bedoeld om grote krachten te meten.

b)

Veer die gemakkelijk uitrekt. Krachtmeters met een slappe veer zijn bedoeld om kleine krachten te meten.

59.

Spankracht

a)

Kracht die in een touw ontstaat als er aan beide uiteinden wordt getrokken.

b)

Kracht die ontstaat doordat de spieren in een lichaam zich samentrekken

60.

Zwaartekracht

a)

Kracht waarmee de aarde aan jou trekt en aan alles om je heen.

b)

Kracht die werkt tussen de 2 polen van een magneet. Kan afstotend of aantrekkend zijn.