Font size
WorksheetsTaaldenken thema 6
Total questions: 15
Worksheet time: 12mins
Welke woorden zijn werkwoorden?
handen
dansen
brooddoos
verbeteren
rijden
Duid de werkwoorden aan die bij elkaar horen.
durf
springen
durven
durft
dansen
Wat is het werkwoord in de volgende zin?
Mijn zus en ik varen elk weekend met een ballon.
(a)
Wat is het werkwoord in de volgende zin?
Op elk potje of flesje kleeft een etiket.
(a)
Welke zin gebeurt NU?
De leerlingen maken een toets.
Ik gooide de bal over het hek.
Dinosaurussen leefden lang geleden.
Theo las een boek.
Welke zin gebeurde VROEGER?
Linne eet een boterham.
Jullie zingen veel te luid.
Het verhaal was eng.
Rijd jij met de auto?
Vul de zin aan met een goed werkwoord.
Hij (a) een taart zo groot als een huis.
Vul de zin aan met het juiste werkwoord.
Ik .............................................de grootste kauwgombel ter wereld.
eet
blaas
kauw
slik
Welke zegswijze staat hier beschreven?
iets dat heel wat lijkt, maar eigenlijk niet bestaat of waardeloos is
in rep en roer
de straffe stoot
gebakken lucht
Welk woord wordt hier beschreven?
dat je kunt kopen in de winkel, iets dat door iemand gemaakt is
record
journalist
tribune
product
verblijven
Welke woorden horen bij het woordje wijk?
het huis
de pannenkoeken
de straat
de boterham
de school
Duid de dwaze dingen aan.
Als je acht jaar bent de hoogste berg ter wereld beklimmen.
Midden in de winter in het water springen.
Ik laat een ei uit mijn handen vallen
Op zaterdag een voetbalwedstrijd spelen.
Schrijf het juiste woord bij deze foto.
(a)
Schrijf het juiste woord bij deze foto.
(a)
Schrijf het juiste woord bij deze foto.
(a)
