wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

7.4 de overheid en de toekomst

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

In welke optie staat een mogelijkheid om het begrotingstekort te verkleinen?

a)

Besparen op de uitgaven

b)

Meer uitgeven

c)

Zorgen dat de inkomsten minder zijn

d)

Zorgen dat de belastingen verlaagd worden

2.

Er zijn afgelopen jaar minder kinderen geboren. De kinderbijslag was begroot op 14,2 miljard euro. We hebben echter maar 10 miljard uitgegeven. Wat voor gevolg heeft dit voor het begrotingstekort?

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

c)

Blijft gelijk

3.

In welke antwoordoptie staan alleen indirecte belastingen?

a)

OZB, BTW

b)

BTW, loonbelasting

c)

Loonbelasting, OZB

d)

BTW, accijns

4.

Welke bewering is juist?

  1. De AOW is een voorbeeld van sociale voorzieningen
  2. De AOW is een voorbeeld van een volksverzekering
a)

Bewering 1

b)

Bewering 2

c)

Beide beweringen zijn juist

d)

Beide beweringen zijn onjuist

5.

De miljoenennota is

a)

De begroting die de overheid opstelt

b)

De toelichting op de Rijksbegroting

6.

Om welke reden kan men straatverlichting niet aan de particuliere sector overdragen?

a)

Het moet voor iedereen betaalbaar blijven

b)

Het is onmogelijk om de kosten te verdelen over de verschillende mensen

c)

Het is van belang voor iedereen

d)

Het is een taak van de overheid

7.

Wat is een kostprijsverhogende belasting?

a)

De belasting die de prijs in de winkel verhoogt

b)

De belasting die de prijs voor de producent verhoogt

c)

De loonbelasting

d)

De dividendbelasting

8.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De verwachte uitgaven zijn lager dan de verwachte inkomsten."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

9.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De overheid houdt geld over."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

10.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De verwachte uitgaven zijn hoger dan de verwachte inkomsten."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

11.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De overheid verliest geld."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

12.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "Een toelichting op de rijksbegroting."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

13.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De regering legt uit welke keuze zij gemaakt heeft."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

14.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "De verwachte inkomsten en uitgaven van het rijk in het komende jaar."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

15.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "Schuld van de overheid"

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld

16.

Bij een begrotingstekort neemt de staatschuld .....

a)

Toe

b)

Af

c)

Blijft gelijk

17.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "Hierover betaalt de overheid rente."

a)

Begrotingsoverschot

b)

Begrotingstekort

c)

Miljoenennota

d)

Rijksbegroting

e)

Staatschuld