wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

D4L37 LV en MV

Total questions: 63

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Waar of niet waar?


In het zinnetje 'Hij heeft de hele middag gelezen' is ‘de hele middag’ een lijdend voorwerp.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Gisteren heeft hij spekpannenkoeken gegeten.

a)

gisteren

b)

hij

c)

spekpannenkoeken

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

3.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Waarom heeft niemand dat aan jou verteld?

a)

waarom

b)

niemand

c)

dat

d)

aan jou

4.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Die meisjes laat je gewoon met rust!

a)

die meisjes

b)

je

c)

gewoon met rust

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

5.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Wie van jouw klasgenoten zitten daar een kaartspel te spelen?

a)

wie

b)

wie van jouw klasgenoten

c)

een kaartspel

d)

een kaartspel te spelen

6.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn neefje van zes wordt altijd door zijn oppas naar hockeytraining gebracht.

a)

mijn neefje van zes

b)

door zijn oppas

c)

naar hockeytraining

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

7.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Schrijf dat woord op!

a)

schrijf

b)

dat woord

c)

schrijf op

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

8.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn oma en opa hebben voor volgende zomer een busreis naar Spanje geboekt.

a)

mijn opa en oma

b)

een busreis

c)

een busreis naar Spanje

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

9.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Welke boeken uit de mediatheek zou jij voor Nederlands willen lezen?

a)

welke boeken

b)

welke boeken uit de mediatheek

c)

jij

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

10.

Zoek het LV in de zin.

Ik at gisteren pizza.

a)

ik

b)

at

c)

gisteren

d)

pizza

11.

Zoek het LV in de zin.

Ik moest vorige week een lekke autoband wisselen.

a)

ik

b)

vorige week

c)

een lekke autoband

d)

wisselen

12.

Zoek het MV in de zin.

Ik wil aan mijn vrienden zeggen dat ik ze mis.

a)

ik

b)

aan mijn vrienden

c)

zeggen

d)

dat ik ze mis

13.

Zoek het MV in de zin.

Dit is een gemakkelijke opdracht voor mij.

a)

dit

b)

is

c)

een gemakkelijke opdracht

d)

voor mij

14.

Zoek het MV in de zin.

Ik heb mijn mama beloofd dat ik mijn kamer ga opruimen.

a)

ik

b)

mijn mama

c)

beloofd

d)

dat ik mijn kamer ga opruimen

15.

Zoek het MV in de zin.

Mijn zus gaf me gisteren een dikke knuffel.

a)

mijn zus

b)

gaf

c)

me

d)

een dikke knuffel

16.

Zoek het MV in de zin.

De hele dag thuis ziek zijn is voor niemand leuk.

a)

de hele dag thuis ziek zijn

b)

is

c)

voor niemand

d)

leuk

17.

Heeft jullie hond een stamboom?

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

18.

Nee hoor, hij plast gewoon tegen elke boom die hij ziet.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

19.

Een eendagsvlieg vliegt door het bos.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

20.

Ze kan nog net een spinnenweb ontwijken.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

21.

"Wacht maar!" schreeuwt de spin hem na.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

22.

"Morgen krijg ik je wel."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

23.

"Wedden van niet," roept de eendagsvlieg terug.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

24.

Een oudere vrouw vraagt aan een jongen op straat: "Hou oud ben je?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

25.

De jongen antwoordt: "Negen jaar."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

26.

"Aha! En wat wil je later graag worden?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

27.

"Tien jaar", zegt de jongen.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

28.

Waarom ligt een haas zo snel in bed?

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

29.

Hij hoeft maar twee tanden te poetsen.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

30.

Hij zegt: "Wie zichzelf dom vindt, gaat staan."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

31.

Na enkele minuten ... Tim staat recht.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

32.

De leraar vraagt aan Tim: "Denk je echt dat je dom bent?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

33.

Tim antwoordt: "Neen, maar ik vond het zo zielig dat u de enige was die rechtstaat!"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

34.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De coach besprak de tactiek met de kinderen.

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

35.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

36.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Zij liet het estafettestokje bijna vallen.

a)

Zij

b)

estafettestokje

c)

het estafettestokje

d)

vallen

37.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Kun je het lijdend voorwerp vinden in deze zin?

a)

het lijdend voorwerp

b)

in deze zin

c)

kun je vinden

d)

vinden

38.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

voor zijn verjaardag

c)

cadeautjes

d)

veel cadeautjes

39.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.

a)

het schilderij

b)

mijn oma

c)

het schilderij van Jeroen Bosch

d)

heel mooi

40.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Hij liet op zijn mobieltje een gekke foto zien.

a)

op zijn mobieltje

b)

een gekke foto

c)

hij

d)

liet zien

41.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De politie nam de insluiper mee naar het bureau.

a)

De politie

b)

de insluiper

c)

het bureau

d)

naar het bureau

42.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De boze juf gooide een stift door de klas.

a)

De boze juf

b)

gooide

c)

een stift

d)

door de klas.

43.

Zoek het wwg:

Wat heeft je vriendin jou eigenlijk verteld?

a)

wat verteld

b)

heeft verteld

c)

jou

d)

verteld

44.

Zoek het wwg:

De terroristen hebben extreem gewelddadig gehandeld.

a)

de terroristen

b)

gehandeld

c)

hebben gehandeld

d)

hebben extreem gehandeld

45.

Zoek het onderwerp

Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.

a)

de intocht van Sinterklaas

b)

de rode Pieten

c)

de indruk

d)

niemand

46.

Zoek het onderwerp:

Zijn complete platenverzameling heeft mijn opa aan zijn liefste kleinkind gegeven.

a)

platenverzameling

b)

zijn complete platenverzameling

c)

mijn opa

d)

zijn liefste kleinkind

47.

Zoek de pv:

Doorgaans hebben Bob en Dirk weinig tijd aan hun huiswerk besteed.

a)

hebben

b)

hebben besteed

c)

Bob en Dirk

d)

huiswerk

48.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Marion heeft de straatmuzikant haar laatste wisselgeld gegeven.

a)

Marion

b)

de straatmuzikant

c)

haar wisselgeld

d)

haar laatste wisselgeld

49.

Zoek het lijdend voorwerp:

Kleding kopen mijn vriendinnen altijd in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

vriendinnen

d)

uitverkoop

50.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Leerlingen van het vierde jaar geven geld aan Warchild.

a)

het vierde jaar

b)

leerlingen

c)

aan Warchild

d)

geld

51.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Ze vragen daarom leerlingen om flessen te sparen.

a)

leerlingen

b)

ze

c)

flessen

d)

vragen

52.
Welke vraag moet je stellen om het lijdend voorwerp te vinden?
a)

Wie of wat + nwg+ onderwerp?

b)
Wie of wat + pv?
c)

Wie of wat + pv + onderwerp + wwg?

d)
Wie of wat + onderwerp?
53.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ze legde haar hand op zijn hand.

a)

Ze

b)

legde

c)

haar hand

d)

zijn

54.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Heeft de hond een bruine vacht?

a)

Heeft

b)

hond

c)

de hond

d)

vacht

55.

Wat is het onderwerp?

Door veel te sporten maak je spieren aan.

a)

Door

b)

Door veel te sporten

c)

maak

d)

je

56.

Wat is het onderwerp?

Wie dit ziet, wordt bang.

a)

Wie

b)

bang

c)

wie dit ziet

d)

wie dit

57.

Wat is het onderwerp?

Tegenwoordig jagen volwassenen ook op Pokemon.

a)

Tegenwoordig

b)

Volwassenen

c)

Pokemon

58.

Wat is het lijdend voorwerp?

Columbus ontdekte Amerika in 1492.

a)

Columbus

b)

Amerika

c)

in 1492

59.

Wat is het lijdend voorwerp?

Milo loste de puzzel op.

a)

Milo

b)

de puzzel

c)

op

60.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Mario verklapte mij een geheim.

a)

Mario

b)

een geheim

c)

verklapte

d)

mij

61.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De trainer gaf de spelers extra oefeningen.

a)

De trainer

b)

de spelers

c)

extra oefeningen

62.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Je mag de rekening aan papa geven.

a)

Je

b)

de rekening

c)

aan papa

63.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Welke resultaten kloppen echt?

a)

Welke

b)

resultaten

c)

welke resultaten

d)

kloppen