wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5 erfelijkheid en evolutie

Total questions: 40

Worksheet time: 52mins

Name
Class
Date
1.

Lactase-phlorizin hydrolase is een enzym dat de stof lactose in melk afbreekt. Het enzym wordt aangemaakt in de dunne darm. Het stukje DNA dat de informatie bevat voor dit enzym heet het LCT-gen.

In de celkernen van welke organen is het LCT-gen te vinden?

a)

in geen van de organen

b)

in de dunne darm

c)

in de huid

d)

in alle organen

2.

In afbeelding 1 wordt een kuiken van een slechtvalk weergegeven. In afbeelding 2 wordt hetzelfde dier weergegeven, enkele jaren later. Het kuiken is een volwassen dier geworden.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het kuiken en het volwassen dier hebben hetzelfde fenotype.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Hoeveel chromosomen bevat de kern van de zaadcel van een man?

(a)  

4.

Ontstaan er door geslachtelijke voortplanting organismen met nieuwe genotypen?

a)

ja

b)

nee

5.

Een man maakt per dag miljoenen zaadcellen aan.

Hebben al deze zaadcellen hetzelfde genotype?

a)

nee

b)

ja

c)

daar kan je geen uitspraak over doen

6.

Bij . . . . . . hebben de dochtercellen evenveel chromosomen als de moedercel.

(a)  

7.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Heterozygoot betekent dat het allelenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen

a)

juist

b)

onjuist

8.

Is een mutatie een verandering in het genotype of fenotype?

(a)  

9.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

10.

Kies het grootste deel

a)

Chromosoom

b)

gen

c)

genenpaar

11.

Een gen bevat informatie over ...

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

12.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

13.
Wanneer komt het genotype van een baby tot stand? 
a)
bij de vorming van de eicel
b)
bij de bevruchting
c)
bij de geboorte
14.

Bijna elke cel in je lichaam bevat 46 chromosomen. Welke type cel bevat niet 46 chromosomen?

a)

Levercellen

b)

Hersencellen

c)

Eicellen

d)

Witte bloedcellen

15.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

16.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

17.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Een mutant is een organisme

a)

waarvan het DNA in de cellen plotseling veranderd is

b)

waarvan het plotseling veranderde DNA tot uiting is gekomen

c)

Waarvan de zaadcellen/eicellen een mutatie bevatten

d)

waarvan de lichaamscellen een mutatie bevatten

19.

Welke kleur is dominant?

a)

Wit

b)

Zwart

20.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

21.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot dominant

b)

Heterozygoot recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot dominant

22.

Welke vis leefde eerder, P of Q? Leg je antwoord uit.

(a)  

23.

Een naaktslak, een huisjesslak en een rups worden tijdens een aardverschuiving door zand bedolven.

Welke van deze dieren zal na de dood het best fossiliseren? Leg je antwoord uit.

(a)  

24.

Zijn de mensapen meer verwant met de apen van de oude wereld of met de apen van de nieuwe wereld?

(a)  

25.

Bij sommige baby’s die geboren zijn met donker haar, wordt het haar na enkele maanden lichter. Tijdens de puberteit wordt het haar dan weer donkerder.

      De kleur van het haar vlak na de geboorte wordt beïnvloed door geslachtshormonen van de moeder. Na een tijdje zijn die uit het bloed van de baby verdwenen. In de puberteit neemt de productie van geslachtshormonen bij het kind toe.

Verandert door de werking van de geslachtshormonen het fenotype voor haarkleur? En verandert het genotype erdoor?

a)

Alleen het fenotype verandert.

b)

Alleen het genotype verandert.

c)

Zowel het fenotype als het genotype verandert

26.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Door klimaatverandering (vroeger en nu) zijn er diersoorten uitgestorven.

a)

waar

b)

niet waar

28.

Recessieve genen kunnen nooit tot uiting komen

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Een mutatie komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Bij een mutatie in welk type cellen zijn de gevolgen het grootst?

a)

Bij een mutatie in bloedcellen.

b)

Bij een mutatie in geslachtscellen.

c)

Bij een mutatie in huidcellen.

31.

Wat is een allel?

a)

Een gen

b)

Een variant van een gen

c)

Een chromosoom

32.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

33.

Welke onderdelen hebben de grootste kans om een fossiel te worden?

a)

botten en tanden

b)

spieren en pezen

c)

rudimenten

d)

huid en haren

34.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

35.

Straling is een mutagene invloed.

a)

juist

b)

onjuist

36.

Met DNA kan worden nagegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voorouder hebben.

a)
Waar
b)
Niet waar
37.

Wat is natuurlijke selectie?

a)

De sterkste dieren overleven

b)

De dieren worden witter

c)

Een erfelijk foutje

d)

De natuur verandert

38.

Op de afbeelding zie je een berkenspanner. Deze camouflage-kleur is ontstaan door natuurlijke selectie.

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:
Katrien zegt: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten
Marion zegt: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geïsoleerd raakt van een andere groep soortgenoten

Wie heeft gelijk?

a)

Beide hebben gelijk

b)

Alleen Katrien heeft gelijk

c)

Alleen Marion heeft gelijk

d)

Beide hebben ongelijk

40.

Welke uitspraken zijn waar?

a)

Walvissen en varkens hebben een gemeenschappelijke voorouder

b)
  1. Een dwerghert heeft meer verwantschap met een pekari dan met een giraffe

c)
  1. Muskusherten en herten hebben de meest recente voorouder