wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering 4B

Total questions: 39

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Bacteriën worden gebruikt bij de productie van:
a)
Kaas
b)
Brood
c)
Bier
d)
Wijn
2.
Schimmels worden gebruikt bij de productie van
a)
Yoghurt, Zuurkool
b)
Bier, Brood
3.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
4.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
5.
Voedingsmiddelen =
a)
Alles wat je eet en drinkt
b)
De stoffen die in het eten en drinken zitten
6.
Stoffen in plantaardige voedingsmiddelen die we niet verteren noemen we
a)
onverteerbaar plantaardig materiaal
b)
voeding
c)
vezels
d)
plantaardige voedingsstoffen
7.
Er zijn 6 groepen voedingsstoffen, welke hoort hier niet bij:
a)
eiwitten
b)
koolhydraten
c)
vezels
d)
vetten
8.
Bouwstoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig  bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
9.
Brandstoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig  bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
10.
Reservestoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig  bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
11.
Beschermende stoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig  bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
12.
Een stof waarmee je een andere stof kunt aantonen =
a)

immitator

b)
irritator
c)
indicator
d)
effector
13.
Om zetmeel aan te tonen gebruik je
a)
Koolstofdioxide
b)
Joodoplossing
14.
Welke stelling is juist over de Schijf van vijf
a)
Elke schijf is even groot
b)
Als je uit elk vak iets eet, leef je gezond
c)
Als je uit elk vak de juiste hoeveelheden eet, krijg je van alle voedingsstoffen iets binnen
d)
Als je uit elke schijf teveel eet, val je af
15.
De hoeveelheid energie die je nodig hebt, hangt af van:
a)
Grootte, Gewicht & Geslacht, Hoeveel je beweegt
b)
Gewicht, Geslacht, Leeftijd, Hoeveel je beweegt
c)
Leeftijd, Geslacht, Gewicht, Hoeveel je beweegt
d)
Grootte, Gewicht, Leeftijd, Geslacht, Hoeveel je beweegt
16.
Als je op je handen staat en je eet / drinkt:
a)
Gaat het voedsel via de neus naar buiten
b)
Sluit de huig de neusholte af
c)
Sluit het strotklepje de neus af, sluit de huig je luchtpijp af
d)
Sluit de huig de neusholte af en het strotklepje de luchtpijp af 
17.
De bewegingen die ervoor zorgen dat het eten van de mond naar de maag wordt bewogen heet:
a)
darmperistaltiek
b)
darm atletiek
c)
darmbewegingen
d)
golf bewegingen
18.
De weg van een voedingsvezel van inname naar afgifte =
a)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, bloed
b)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, 12-vingerige darm, dikke darm, endeldarm, anus
c)
mond, slokdarm, maag, 12-vingerige darm, dunne darm, bloed
d)
mond, slokdarm, maag, 12vingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus
19.
Op welke plaats komen alvleessap en gal bij het te verteren voedsel?
a)
2
b)
3
c)
5
d)

9

20.
Waar begint de spijsvertering?
a)
In de mondholte
b)
In de slokdarm
c)
In de maag
d)
In de dunne darm
21.
Maakt het orgaan dat met 7 is aangegeven alvleessap?
a)
Ja
b)
Nee
22.
Maakt het orgaan dat met 3 is aangegeven gal?
a)
Ja
b)
Nee
23.
Welke organen van het spijsverteringsstelsel zie je op de afbeelding
a)
Lever, Maag, Alvleesklier, galblaas, slokdarm
b)
Slokdarm, Maag, Lever, Alvleesklier, dunne darm
c)
Slokdarm, Maag, Lever, Alvleesklier en 12-vingerige darm
d)
Maag, Lever, Alvleesklier, galblaas, dunne darm
24.
Waarom is de maag een tijdelijke opslagplaats?
a)
Het maagklepje laat steeds maar kleine beetjes voedsel door
b)
De maagportier laat steeds maar kleine beetjes voedsel door
25.
Welke voedingsstoffen verteert het enzym in maagsap?
a)
Zetmeel
b)
Eiwitten
c)
Koolhydraten
d)
Vezels
26.
Waaruit bestaat maagsap?
a)
Water, zoutzuur en enzymen
b)
Speeksel, darmsap en gal
c)
Enzymen, gal en maagsap
d)
alvleessap, gal en zoutzuur
27.
Wat gebeurt er met het voedsel door te kauwen?
a)
Het voedsel wordt kleiner, de oppervlakte wordt kleiner en het voedsel wordt gemengd met speeksel
b)
Het voedsel wordt kleiner, de oppervlakte groter en het voedsel wordt gemengd met speeksel
c)
Het voedsel wordt kleiner gemaakt en gemengd met maagsap
28.
Hoe heet het deel  van de tanden en kiezen dat in de kaak zit?
a)
Kroon
b)

wortel

29.
Tandsteen kun je verwijderen door goed je tanden te poetsen.
a)
Juist
b)
Onjuist
30.
Met welk cijfer is het tandbeen aangegeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
31.
Hiermee is het tandbeen van de kroon bedekt:
a)
cement
b)
tandvlees
c)
glazuur
32.
Aantasting van het gebit door zuur heet:
a)
tandsteen
b)
tandplak
c)
tandvleesontsteking
d)
tanderosie
33.
gal emulgeert vetten. Welke uitleg is juist?
a)
Gal verdeelt vetten in kleine druppeltjes
b)
Gal verteert vetten
c)
Gal lost vet op
34.
Een enzym:
a)
is een eiwit, dat een bepaalde reactie versnelt
b)
is een suiker en vertraagd een reactie
c)
Is een eiwit en vertraagd een reactie
d)
Is een suiker, dat een bepaalde reactie versnelt 
35.
Planteneters hebben
a)
knipkiezen en een  lang darmstelsel
b)
plooikiezen en een lang darmstelsel
c)
knobbelkiezen, en een lang darmstelsel
36.
vleeseters hebben
a)
knipkiezen en een kort darmstelsel
b)
plooikiezen en een kort darmstelsel
c)
knobbelkiezen, en een kort darmstelsel
37.
Planteneters hebben
a)
knipkiezen en een  lang darmstelsel
b)
plooikiezen en een lang darmstelsel
c)
knobbelkiezen, en een lang darmstelsel
38.
alleseters hebben
a)
knipkiezen en een  middellang darmstelsel
b)
plooikiezen en een middellang darmstelsel
c)
knobbelkiezen, en een middellang darmstelsel
39.
Waardoor is vlees makkelijker te verteren dan planten?
a)
Om de cellen van dieren zit geen celwand
b)
Om de cellen van dieren zit een celwand