WorksheetsDe of Het woorden.
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
De of Het band?
De band
Het band
De of Het fietsenmaker?
De fietsen maker
Het fietsenmaker
De of Het huissleutel?
Het huissleutel
De huissleutel
De of Het zak?
De zak
Het zak
De of Het gaatje?
De gaatje
Het gaatje
De of Het gereedschap?
Het gereedschap
De gereedschap
De of Het bedoeling?
Het bedoeling
De bedoeling
De of Het kennis?
Het kennis
De kennis
De of Het materiaal?
De materiaal
Het materiaal
De of Het ambulance?
De ambulance
Het ambulance
De of Het grond?
Het grond
De grond
De of Het bloed?
Het bloed
De bloed
De of Het hoofd?
De hoofd
Het hoofd
De of Het taxi?
Het taxi
De taxi
De of Het seconde?
De seconde
Het seconde
De of Het afval?
De afval
Het afval
De of Het vuilniszak?
Het vuilniszak
De vuilniszak
De of Het stof?
De stof
Het stof
De of Het lucht?
De lucht
Het lucht
De of Het metaal?
De metaal
Het metaal
