Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1kgt H2.1 - 2.2 - 2.3

Total questions: 11

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Een kleine nederzetting is een stad en een grote nederzetting heet een dorp.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Een stad bestaat uit verschillende onderdelen. Welke zie je op de foto?

a)

Binnenstad

b)

Stadscentrum

c)

Woonwijk

d)

Bedrijventerrein

3.

Deze soort stad is ontstaan op plaatsen waar fabrieken werden gebouwd.

a)

Stad met historische stadskern.

b)

Stad ontstaan uit dorpskern.

c)

Nieuw ontworpen stad.

4.

Welke twee redenen, zijn vestigingsredenen voor mensen?

a)

Criminialiteit

b)

Groen

c)

Rust

d)

Verkeersoverlast

e)

Stankoverlast

5.

... - sterfte = natuurlijke bevolkingsgroei

a)

geboorte

b)

immigratie

c)

emigratie

6.

De mogelijkheid die mensen hebben om zich te verplaatsen?

a)

Bereikbaarheid

b)

Mobiliteit

c)

Forens

d)

Recreatie

7.

Welk deel van het model van de stad past bij deze afbeelding?

a)

Historische binnenstad

b)

Centrale zakenwijk (CBD)

c)

Oude woonwijken

d)

Bedrijventerreinen

8.

Kies de juiste stelling.

Treinstations liggen vaak aan de rand van de historische binnenstad omdat...

a)

...mensen anders last hebben van het geluid.

b)

...treinen later pas gemaakt werden.

c)

...het fluitje van de conducteur zo irritant is.

d)

...ze voor veel vervuiling zorgen.

9.

Welke begrip past bij de volgende situatie:


Nu hebben we ruimte in huis en is er plaats genoeg voor parkeren?

a)

Urbanisatie

b)

Suburbanisatie

10.

Door de toegenomen welvaart en mobiliteit gingen mensen in Nederland?

a)

Verhuizen naar de stad

b)

Verhuizen de stad uit

11.

Welke kenmerken uit de zinnen horen bij een stad? Vink de juiste vakjes aan.

a)

De stad heeft een groot aantal voorzieningen.

b)

De plaats moet een bepaald aantal inwoners hebben.

c)

De plaats moet stadsrechten hebben.

d)

Er staan heel veel gebouwen op een klein gebied.

e)

Het centrum is omringd door stadsmuren.