wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1HV/VG T7 Voortplanting bij planten en dieren B1-6

Total questions: 36

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

De functie van bloemen is

a)

Voortplanting

b)

Voedsel

c)

Vochtopname

d)

Afweer van parasieten

2.

Wat geven de gele pijlen aan?

(a)  

3.

Wat is de belangrijkste functie van het aangewezen onderdeel?

a)

Vormen van eicellen.

b)

Vangen van stuifmeelkorrels

c)

Aanlokken van insecten.

d)

Beschermen van de bloem in de knop.

e)

Aan fotosynthese doen.

4.

Wat geven de gele pijlen aan?

(a)  

5.

Wat is de naam van nummer 1?

(a)  

6.

Welk deel van de bloem in de afbeelding is het kroonblad?

a)

Het witte deel

b)

Het grijze deel

7.

Hoe noem je het vrouwelijke voortplantingsorgaan van de bloem?

(a)  

8.

Wat is (waarschijnlijk) waar over deze bloem?

a)

In deze bloemen wordt nectar gemaakt.

b)

Deze bloem maakt heel veel stuifmeel.

c)

Dit is een insectenbloem.

d)

Deze bloem doet aan geslachtelijke voortplanting.

9.

De roze bladeren van deze bloem hebben als functie...

a)

Het vormen van eicellen

b)

Het vormen van stuifmeelkorrels

c)

Beschermen van de bloemknop

d)

Insecten lokken

10.

Wat maken de meeldraden?

(a)  

11.

Hoeveel eicellen zitten er in één zaadbeginsel?

(a)  

12.

Bij bestuiving komt het stuifmeel op de .... terecht.

a)

Stamper

b)

Stijl

c)

Stempel

d)

Kroonblad

e)

Meeldraad

13.

Op welke manieren kan stuifmeel worden overgebracht? Vink ze aan.

a)

Insecten

b)

Wind

c)

Regen

d)

Zon

14.

Het stuifmeelkorrel van een madelief komt op de stempel van de paardenbloem terecht. Dit noem je bestuiving.

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Welke soort bloemen maken het meeste stuifmeel?

a)

Windbloemen

b)

Insectenbloemen

16.

Welke kenmerken horen bij windbloemen?

a)

Niet-opvallende kroonbladeren

b)

Nectar

c)

Meeldraden die buiten de bloem hangen

d)

Weinig stuifmeelkorrels

17.

In de afbeelding zie je ... zaadbeginsels.

(a)  

18.

In de afbeelding zie je ... vruchtbeginsels.

(a)  

19.

In de afbeelding zie je ... eicellen.

(a)  

20.

Hoeveel stuifmeelkorrels zijn nodig om alle zaadbeginsels te bevruchten?

(a)  

21.

Het zaad ontwikkelt zich uit ...

a)

De bevruchte eicel

b)

Het zaadbeginsel

c)

Het vruchtbeginsel

d)

Stamper

e)

Zaadcellen

22.

De vrucht ontwikkelt zich uit ...

a)

De bevruchte eicel

b)

Het zaadbeginsel

c)

Het vruchtbeginsel

d)

De stuifmeelbuis

e)

De bloembodem

23.

De kiem ontwikkelt zich uit ...

a)

De bevruchte eicel

b)

Het zaadbeginsel

c)

Het vruchtbeginsel

d)

De stuifmeelbuis

e)

De verschrompelde meeldraden

24.

In welke delen van de bloem kan bevruchting plaatsvinden?

a)

Helmhokjes

b)

Stempels

c)

Stuifmeelbuizen

d)

Zaadbeginsels

25.

Wat zit er in de stuifmeelbuis?

a)

De kern van een eicel.

b)

De kern van een stuifmeelkorrel.

c)

Een bevruchte eicel.

d)

Stuifmeel.

26.

Bij welke bloemen zijn de kroonbladeren meestal groen?

a)

Alleen bij insectenbloemen.

b)

Alleen bij windbloemen.

c)

Zowel bij insectenbloemen als windbloemen.

27.

Kruis aan welke organismen zich geslachtelijk (kunnen) voortplanten.

a)

Kikkers

b)

Bloemen

c)

Vissen

d)

Mensen

e)

Insecten

28.

Een fruitvlieg heeft 8 chromosomen. Hoeveel chromosomen hebben de cellen na de meiose?

(a)  

29.

Een appelboom heeft in een cel van een stengel 34 chromosomen. Hoeveel chromosomen zitten er in de stuifmeelkorrels?

(a)  

30.

Mevrouw de Langen vindt tijdens een onderzoek een cel met 13 chromosomen van een onbekend organisme. Dit is waarschijnlijk een...

a)

Geslachtscel

b)

Lichaamscel

c)

Dit is niet uit de informatie op te maken.

31.

Waar kan een kern van een stuifmeelkorrel zich bevinden?

a)

Helmhokjes

b)

Stijl

c)

Stuifmeelbuis

d)

Vruchtvlees

e)

Helmdraad

32.

In de afbeelding zie je een granaatappel met daarin veel zaden (de donkerrode rondjes).

Kruis aan welke stellingen voor deze granaatappel waar zijn!

a)

Bij de vorming van deze granaatappel was maar één stuifmeelkorrel betrokken.

b)

Bij de vorming van deze granaatappel was maar één zaadbeginsel betrokken.

c)

Bij de vorming van deze granaatappel was maar één vruchtbeginsel betrokken.

d)

De granaatappel is een vorm van geslachtelijke voortplanting.

e)

Bij de vorming van deze granaatappel is er één stuifmeelbuis gevormd.

33.

Hoeveel kiemen bevat deze granaatappel?

a)

0

b)

1

c)

meerdere

34.

Wat is waar over de aardbeienplant?

a)

Deze plant kan zich geslachtelijk voortplanten.

b)

Deze plant kan zich ongeslachtelijk voortplanten.

c)

De voortplantings-manier die je ziet heten wortelstokken.

d)

De voortplantings-manier die je ziet heten uitlopers.

35.

Hoeveel procent van het DNA komt overeen tussen de twee plantjes in de twee potten?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

36.

Wat is waar over een knol?

a)

Een knol is een verdikking van de stengel.

b)

Een knol bestaat uit verdikte bladeren.

c)

Een knol is een vorm van geslachtelijke voortplanting.

d)

Een aardappel is een voorbeeld van een knol.

e)

Een tulp is een voorbeeld van een knol.