wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Milieu en Duurzaamheid Quiz

Total questions: 21

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is biodiversiteit?

a)

Manier van leven waardoor de aarde ook in de toekomst leefbaar is.

b)

Kleine stofdeeltjes afkomstig van natuurlijke bronnen of van verkeer.

c)

Variatie in de natuur door alle planten- en diersoorten.

d)

Langdurige verandering van het weer (gedurende tientallen jaren).

2.

Wat is duurzame ontwikkeling?

a)

Variatie in de natuur door alle planten- en diersoorten.

b)

Manier van leven waardoor de aarde ook in de toekomst leefbaar is.

c)

Te groot aantal mensen als gevolg van bevolkingsgroei, waardoor problemen ontstaan.

d)

Grote akker met één soort gewas.

3.

Wat is fijnstof?

a)

Langdurige verandering van het weer (gedurende tientallen jaren).

b)

Kleine stofdeeltjes afkomstig van natuurlijke bronnen of van verkeer.

c)

Te veel stoffen onttrekken aan het milieu.

d)

Stoffen toevoegen aan het milieu.

4.

Wat is ontbossing?

a)

Het verdwijnen van bossen door kappen of platbranden.

b)

Te groot aantal mensen als gevolg van bevolkingsgroei, waardoor problemen ontstaan.

c)

Door rook en uitlaatgassen vervuilde lucht.

d)

Mineralen toevoegen aan een akker.

5.

Wat is overbevolking?

a)

Het verdwijnen van bossen door kappen of platbranden.

b)

Langdurige verandering van het weer (gedurende tientallen jaren).

c)

Te groot aantal mensen als gevolg van bevolkingsgroei, waardoor problemen ontstaan.

d)

Variatie in de natuur door alle planten- en diersoorten.

6.

Wat is smog?

a)

Door rook en uitlaatgassen vervuilde lucht.

b)

Mineralen toevoegen aan een akker.

c)

Stoffen toevoegen aan het milieu.

d)

Te veel stoffen onttrekken aan het milieu.

7.

Wat is bemesting?

a)

Techniek waarbij de eicel buiten het lichaam door spermacellen wordt bevrucht.

b)

Verbeteren van de bodemstructuur door ploegen en eggen.

c)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

d)

Mineralen toevoegen aan een akker.

8.

Wat zijn bestrijdingsmiddelen?

a)

Mineralen toevoegen aan een akker.

b)

Techniek waarbij de eicel buiten het lichaam door spermacellen wordt bevrucht.

c)

Verbeteren van de bodemstructuur door ploegen en eggen.

d)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

9.

Wat is in-vitro fertilisatie (ivf)?

a)

Dieren die in de veeteelt worden gehouden.

b)

Mineralen toevoegen aan een akker.

c)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

d)

Techniek waarbij de eicel buiten het lichaam door spermacellen wordt bevrucht.

10.

Wat zijn landbouwhuisdieren?

a)

Mineralen toevoegen aan een akker.

b)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

c)

Dieren die in de veeteelt worden gehouden.

d)

Grote akker met één soort gewas.

11.

Wat is monocultuur?

a)

Grote akker met één soort gewas.

b)

Mineralen toevoegen aan een akker.

c)

Variatie in de natuur door alle planten- en diersoorten.

d)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

12.

Wat is veredeling?

a)

Individuen met de meest gunstige eigenschappen worden gekruist.

b)

Mineralen toevoegen aan een akker.

c)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

d)

Grote akker met één soort gewas.

13.

Wat zijn voedingsgewassen?

a)

Grote akker met één soort gewas.

b)

Individuen met de meest gunstige eigenschappen worden gekruist.

c)

Mineralen toevoegen aan een akker.

d)

Planten die in de akkerbouw en de tuinbouw worden geteeld.

14.

Wat is bioaccumulatie?

a)

Individuen met de meest gunstige eigenschappen worden gekruist.

b)

Ophoping van bestrijdingsmiddelen in de voedselketen doordat ze niet of langzaam worden afgebroken.

c)

Mineralen toevoegen aan een akker.

d)

Grote akker met één soort gewas.

15.

Wat is biologische landbouw?

a)

Grote akker met één soort gewas.

b)

Vorm van landbouw waarbij er extra aandacht is voor het milieu en dierenwelzijn.

c)

Mineralen toevoegen aan een akker.

d)

Individuen met de meest gunstige eigenschappen worden gekruist.

16.

Wat is het belang van duurzame ontwikkeling?

a)

Om de natuurlijke variatie te behouden en de aarde leefbaar te houden voor toekomstige generaties.

b)

Om monoculturen te bevorderen en de biodiversiteit te verminderen.

c)

Om de bevolkingsgroei te stimuleren en overbevolking te bevorderen.

d)

Om de natuurlijke hulpbronnen uit te putten en de aarde te schaden.

17.

Wat zijn de gevolgen van biodiversiteitsverlies?

a)

Versterking van ecosystemen en bevordering van natuurlijke variatie.

b)

Verhoogde veerkracht tegen klimaatverandering en verbeterde voedselzekerheid.

c)

Verlies van ecosysteemdiensten en verstoring van de natuurlijke balans.

d)

Bevordering van monoculturen en intensieve landbouwpraktijken.

18.

Wat zijn mogelijke oplossingen voor overbevolking?

a)

Bevordering van geboortebeperkingsmaatregelen en familieplanning.

b)

Stimulering van bevolkingsgroei en uitbreiding van stedelijke gebieden.

c)

Verhoging van het geboortecijfer en aanmoediging van migratie.

d)

Beperking van onderwijs en gezondheidszorg om de bevolking te verminderen.

19.

Wat is het broeikaseffect?

a)

Verhoogde veerkracht tegen klimaatverandering en verbeterde voedselzekerheid.

b)

Langdurige verandering van het weer (gedurende tientallen jaren).

c)

Stoffen toevoegen aan het milieu.

d)

Verhoging van het geboortecijfer en aanmoediging van migratie.

20.

Wat is erosie?

a)

Bevordering van monoculturen en intensieve landbouwpraktijken.

b)

Verlies van ecosysteemdiensten en verstoring van de natuurlijke balans.

c)

Versterking van ecosystemen en bevordering van natuurlijke variatie.

d)

Afkalving van de bodem door wind, water of menselijke activiteiten.

21.

Wat zijn hernieuwbare energiebronnen?

a)

Stoffen die worden gebruikt om organismen te bestrijden die voedingsgewassen aantasten.

b)

Techniek waarbij de eicel buiten het lichaam door spermacellen wordt bevrucht.

c)

Energiebronnen die zichzelf op natuurlijke wijze kunnen vernieuwen.

d)

Mineralen toevoegen aan een akker.