wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindtoets Hoofdstuk 1 Vaardigheden

Total questions: 95

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Als je bij een practicum met stoffen werkt, moet je altijd kleine hoeveelheden gebruiken. Geef hier twee redenen voor.

4 lines
2.

In schoonmaakazijn zit 12 g azijnzuur per 100 g schoonmaakazijn. Wouter gebruikt 250 g schoonmaakazijn om zijn koffiezetapparaat te ontkalken. Bereken hoeveel gram azijnzuur hij gebruikt. Gebruik de verhoudingstabel voor de berekening.

4 lines
3.

Volvette kaas (48+) heeft een vetpercentage van minstens 48%. Bereken hoeveel gram vet er minimaal in een kaas van 24 kg zit.

4 lines
4.

Bereken hoeveel gram suiker is opgelost in 150 mL water met een concentratie van 50 g/L.

4 lines
5.

Een oplossing is:

a)

Een helder mengsel waar vaste stoffen, vloeistoffen of gassen in een vloeistof opgelost zijn.

b)

Een helder mengsel waar een vloeistof in een andere vloeistof is opgelost

c)

Een troebel mengsel waar een vaste stof in een vloeistof is opgelost

d)

Een helder mengsel waar een vaste stof in een vloeistof is opgelost

6.

Een oplossing is:

a)

Een helder mengsel waar vaste stoffen, vloeistoffen of gassen in een vloeistof opgelost zijn.

b)

Een helder mengsel waar een vloeistof in een andere vloeistof is opgelost

c)

Een troebel mengsel waar een vaste stof in een vloeistof is opgelost

d)

Een helder mengsel waar een vaste stof in een vloeistof is opgelost

7.

Je kunt een suspensie herkennen als:

a)

Een troebel mengsel waar een vaste stof rond zweeft in een vloeistof

b)

Een helder mengsel waarin een vaste stof, vloeistof of gas is opgelost

c)

Een troebel mengsel van 2 of meer vloeistoffen

d)

een helder mengsel van 2 of meer vloeistoffen

8.

Een emulsie is:

a)

Een troebel mengsel van 2 of meer vloeistoffen die niet goed met elkaar mengen

b)

Een helder mengsel van een vloeistof die in een andere vloeistof is opgelost

c)

Een helder mengsel van een vaste stof die opgelost is in een vloeistof

d)

een troebel mengsel van een vaste stof die opgelost is in een vloeistof

9.

Op het plaatje zie je een:

a)

Oplossing

b)

Suspensie

c)

Emulsie

10.

Mayonaise en melk zijn voorbeelden van?

a)

Oplossingen

b)

Suspensies

c)

Emulsies

11.

Op de foto zie je een:

a)

Suspensie

b)

Oplossing

c)

Emulsie

12.

Een emulgator zorgt ervoor dat:

a)

2 vloeistoffen niet meer kunnen bezinken.

b)

je 2 vloeistoffen uit elkaar kan halen

c)

een vaste stof kan laten oplossen in een vloeistof

13.

Een oplosmiddel is:

a)

Een vloeistof waar andere stoffen goed in oplossen

b)

Een vaste stof die goed oplost in water

c)

Een vloeistof waar alle stoffen in kunnen oplossen

d)

Een vloeistof die goed oplost

14.

Als je adem uitblaast tegen een raam, beslaat het glas. Welke fase-overgang vindt dan plaats?

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Smelten

d)

Vervluchtigen

15.

Noem een vloeibare vorm van neerslag

a)

Sneeuw

b)

IJzel

c)

Regen

d)

Hagel

16.

In welke fase bevindt zich hagel?

a)

Vast

b)

Gas

c)

Vloeibaar

17.

Welke fase-overgang zie je op de afbeelding?

a)

Vervluchtigen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Verdampen

18.

Welke fase-overgang zie je op de afbeelding?

a)

Bevriezen

b)

Verdampen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

19.

Wanneer spreek je van een scheikundige reactie?

a)

Als de stoffen blijvend veranderen.

b)

Als de stoffen van fase veranderen.

c)

Als de temperatuur sterk toeneemt.

d)

Als de een stof oplost in water.

20.

Welk gevarensymbool herken je op de afbeelding?

a)

Schadelijk

b)

Giftig

c)

Gevaarlijk

d)

Gevaarlijk voor de gezondheid op lange termijn

21.

Welk gevarensymbool herken je op de afbeelding?

a)

Schadelijk

b)

Giftig

c)

Bijtend

d)

Gevaarlijk

22.

Welke drie toestandsaanduidingen worden gebruikt voor het aangeven van de fase van een stof?

a)

(g), (v), (v)

b)

(s), (l), (g)

c)

(v), (g), (s)

d)

(n), (g), (l)

23.

Hiernaast zie je een diagram van het verwarmen van bijenwas.

Bij hoeveel graden is alle bijenwas gesmolten?

a)

20

b)

55

c)

65

d)

106

24.

Hiernaast zie je een diagram van het verwarmen van bijenwas.

Welke conclusie kun je trekken als je naar het diagram kijkt?

a)

Bijenwas is een zuivere stof, omdat het een smeltpunt heeft.

b)

Bijenwas is een zuivere stof, omdat het een smelttraject heeft.

c)

Bijenwas is een mengsel, omdat het een smeltpunt heeft.

d)

Bijenwas is een mengsel, omdat het een smelttraject heeft.

25.

Bij de bovenstaande foto

a)

Is rechts helder en links troebel

b)

Is rechts troebel en links helder

c)

Zijn beide helder

d)

Zijn beide troebel

26.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

27.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen

28.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

29.

Atoomnummer Li

(a)  

30.

Atoomnummer H

(a)  

31.

Atoomnummer Na

(a)  

32.

Atoomnummer Ka

(a)  

33.

Atoomnummer Rb

(a)  

34.

Atoomnummer Cs

(a)  

35.

Atoomnummer Fr

(a)  

36.

Atoomnummer F

(a)  

37.

Atoomnummer Cl

(a)  

38.

Atoomnummer Br

(a)  

39.

Atoomnummer I

(a)  

40.

Atoomnummer At

(a)  

41.

Atoomnummer Ts

(a)  

42.

Atoomnummer Yb

(a)  

43.

Atoomnummer No

(a)  

44.

Welke -lyse(s) past bij dit plaatje?

a)

Elektro

b)

Thermo

c)

Foto

45.

Welke -lyse past bij dit plaatje?

a)

Elektro

b)

Thermo

c)

Foto

46.

Als welke 3 dingen er zijn kan een brand ontstaan?

a)

Zuurstof

b)

Lucht

c)

Benzine

d)

Brandstof

e)

Warmte

47.

Als je waterdruppels op de badkamerspiegel ziet, dan komt dat omdat de waterdamp...

a)

gecondenseerd is.

b)

gerijpt is.

c)

gesublimeerd is.

d)

gestold is.

48.

De 'elementen' in het periodiek systeem der elementen (het A4'tje dat in je schrift geplakt zit) zijn

a)

moleculen

b)

protonen

c)

atomen

d)

elektronen

49.

Over welke stof gaat het? De moleculen bewegen heel snel, ze bewegen alle kanten uit, en ze zijn relatief ver uit elkaar.

a)

Vaste stof (bijv. ijs)

b)

Vloeistof (bijv. water)

c)

Gas (bijv. waterdamp)

50.

Een maizenapapje is een ....

a)

Vaste stof

b)

Niet-Newtoniaanse vloeistof

c)

Gas

51.

Wanneer veranderen de moleculen, als je twee of meer stoffen bij elkaar doet?

a)

Bij een mengsel

b)

Als de stoffen niet mengen, zoals bij water en olie

c)

Bij een chemische reactie

52.

Moeilijke vraag! Als er veel kalk in het water zit, dan noemen we het water...

a)

Hard water

b)

Zacht water

c)

Kalkwater

d)

Zuur

53.

Het afsteken van een lucifer is ....

a)

Een chemische reactie (van hout en zuurstof)

b)

Geen chemische reactie

54.

geef het begrip:

hydrofiele stof + hydrofobe stof + emulgator

(a)  

55.

... Al + (a)   O2 → ... Al2O3

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

56.

Geef de kloppende RV van de verbrandingsreactie van calcium

(a)  

57.

... C3H8 + ...O2 → ... CO2 + ... H2O

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4-6 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

58.

... C3H8 + ...O2 → ... CO + ... H2O

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4-6 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

59.

... KClO3 → ... KCl + ... O2

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

60.

... N2 + ... H2 → ... NH3

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

61.

... P2O3 → ... P + ... O2

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

62.

... Na3PO4 + ... KOH → ... NaOH + ... K3PO4

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

63.

... Pb(OH)2 + ... HCl → ... H2O + ... PbCl2

maak bovenstaande RV kloppend, geef antwoord op volgende wijze 1-3-4 ( 1ste coëfficiënt eerst, gescheiden door streepje (geen spatie) -, dan 2de coëfficiënt, -, enz.

(a)  

64.

... Na3PO4 + ... CaCl2 → ... NaCl + ... Ca3(PO4)2

(a)  

65.

Welk effect heeft CO2 op de natuur?

(a)  

66.

Met een reagens kun je…

(a)  

67.

Wat is het symbool van de atoomsoort ijzer?

a)

Fe

b)

F

c)

IJ

d)

IJz

68.

P en Pb zijn symbolen van

a)

Fosfor en lood

b)

Fosfor en tin

c)

Lood en tin

d)

Tin en kwik

69.

Hier staan enkele reactieschema’s:

          1        water waterstof + zuurstof

          2        koper + zuurstof koperoxide

          3        benzine + zuurstof water + koolstofdioxide

          4        plastic koolstof + water + brandbaar gas

a)

1, 2, 4

b)

2, 3

c)

1, 4

d)

3, 4

70.

Welke vlam is een pausevlam?

a)

Een gele vlam met de luchtschijf open

b)

Een gele vlam met de luchtschijf dicht

c)

Een blauwe vlam met de luchtschijf open

d)

Een blauwe vlam met de luchtschijf dicht

71.

Welke vlam is een pausevlam?

a)

Een gele vlam met de luchtschijf open

b)

Een gele vlam met de luchtschijf dicht

c)

Een blauwe vlam met de luchtschijf open

d)

Een blauwe vlam met de luchtschijf dicht

72.

1 km = ... m

(a)  

73.

10 dm³ = ... L

(a)  

74.

Wat betekent deze veiligheidssymbool?

a)

Brandbevorderend

b)

Ontvlambaar

c)

Corrosief

d)

Schadelijk

75.

Wat betekent deze veiligheidssymbool?

a)

Schadelijk

b)

Milieugevaarlijk

c)

Dodelijk

d)

Stralingafgevend

76.

Welke vlam gebruik je voor verwarming?

a)

Blauwe vlam

b)

Gele vlam

77.

Wat is een eenheid van volume?

a)

Liter

b)

Meter

c)

Uur

78.

Wat krijg je met de onderdompelmethode?

a)

Volume

b)

Massa

79.

De fase-overgang van vast naar vloeibaar heet:

a)

smelten

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

80.

De fase-overgang van vast naar gas heet:

a)

vervluchtigen

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

81.

De fase-overgang van vloeibaar naar gas heet:

a)

verdampen

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

82.

De fase-overgang van gas naar vloeibaar heet:

a)

condenseren

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

vervluchtigen

e)

rijpen

83.

De fase-overgang van gas naar vast heet:

a)

condenseren

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

vervluchtigen

e)

rijpen

84.

De fase-overgang van vloeibaar naar vast bij een temperatuur van 0 graden Celsius of lager heet:

a)

condenseren

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

vervluchtigen

e)

rijpen

85.

De fase-overgang van vloeibaar naar vast bij een temperatuur van meer dan 0 graden Celsius heet:

a)

condenseren

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

vervluchtigen

e)

rijpen

86.

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

87.

Scheidingsmethode waarbij je een opgeloste stof scheidt van het oplosmiddel op basis van het kookpunt.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

88.

Scheidingsmethode waarbij je stoffen scheidt van het oplosmiddel op basis van de oplosbaarheid.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

89.

Scheidingsmethode waarbij je in een suspensie vaste stoffen van vloeistoffen kan scheiden.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

90.

Temperatuur waarbij een stof van een vloeistof in een gas verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

91.

Temperatuur boven 0 graden Celsius waarbij een stof van een vloeistof in een vaste verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

92.

Temperatuur waarbij een stof van een vaste stof in een vloeistof verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

93.

Een stof die uit twéé of meer soorten moleculen bestaat is een:

a)

zuivere stof

b)

mengsel

c)

atoom

94.

Wat zijn de kenmerken van een oplossing?

a)

helder

b)

troebel

c)

geen neerslag

d)

neerslag

95.

Wat zijn de kenmerken van een suspensie?

a)

helder

b)

troebel

c)

geen neerslag

d)

neerslag