wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets DT 3.02 (GL)

Total questions: 137

Worksheet time: 3hrs 44mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

2.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingsszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

3.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

4.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

5.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

6.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

7.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
8.

Het centrale zenuwstelsel bestaat alleen uit de grote hersenen en de kleine hersenen.

a)

Ja

b)

Nee

9.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
10.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

11.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

12.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
13.

Als een spier of klier wordt aangestuurd gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

14.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

15.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

16.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

17.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

18.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

19.

Wat is een belangrijk verschil tussen een gevoelszenuwcel en bewegingszenuwcel

a)

bij een gevoelszenuwcel gaat een impuls 2 kanten op, bij een bewegingszenuwcel slechts 1 kant op

b)

De ligging van het cellichaam

c)

de een ligt volledig in het centrale zenuwstelsel de ander erbuiten

d)

de snelheid van impuls-transport

20.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

21.

Wat is een gemengde zenuw?

a)

deze bevat uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

b)

deze bevat cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Geen van beide

22.

Welke uitlopers zitten er in een gemengde zenuw?

a)

schakel en gevoelzenuwcellen

b)

gevoelzenuwcellen en bewegings-zenuwcellen

c)

bewegings-zenuwcellen en schakelcellen

23.

Waar liggen schakel(zenuw)cellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

in zijn geheel het centrale zenuw stelsel

c)

gedeeltelijk in en gedeeltelijk vlakbij het centrale zenuwstelsel

24.

Waar liggen de bewegingszenuwcellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuw stelsel

c)

de lichamen in het centrale zenuwstelsel de lange uitlopers door heel het lichaam

25.

Waar liggen de gevoelszenuwcellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuw stelsel

c)

de lichamen in het centrale zenuwstelsel de lange uitlopers door heel het lichaam

26.

In welke richting gaan de impulsen van de gevoelszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

27.

In welke richting gaan de impulsen van de bewegingszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

28.

Kan de spier in de afbeelding nog samentrekken?

a)

ja, de spier kan zich samentrekken. Daar hebben zenuwen niets mee te maken

b)

Nee, de spier kan zich niet samentrekken. De zenuw kan geen signaal meer doorgeven

c)

Ja, de spier kan zich samentrekken, alleen minder goed

d)

Nee, de spier kan zich niet samentrekken. De zenuw bevriest de spier.

29.

Wat is een antagonist?

a)

spieren die samentrekken.

b)

spieren die met elkaar strekken, dit zorgt voor beweging van de botten en spieren.

c)

Spieren waarbij het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft.

d)

Spieren die belangrijk zijn voor de de zuurstofaanvoer in ons lichaam.

30.

De biceps zorgt voor het strekken van de arm.

a)

waar

b)

niet waar

31.

Wat is de functie van het bindweefsel in de spier?

a)

stevigheid

b)

volume

c)

levering van meer kracht

d)

binding van ijzer

32.

Tot welk stelsel behoren de spieren?

a)

zenuwstelsel

b)

krachtstelsel

c)

spijsverteringsstelsel

d)

spierstelsel

33.

wat is de volgorde van groot naar klein?

a)

spierbundel, spier, spiervezel, spiercel

b)

spiercel. spierbundel, spiervezel, spiercel

c)

Spier, spierbundel, spiervezel, spiercel

d)

spier, spiervezel, spierbundel, spiercel

34.

Welke spier is spier 2?

a)

2 is biceps

b)

2 is triceps

c)

2 is kuitspier

d)

2 is hamstring

35.

Wat is een aanhechtingspunt?

a)

verbinding tussen de organen en weefsel

b)

plaats waar de pees vastzit aan het bot

c)

punt waar zuurstof wordt gehecht aan de spier

36.

Waarom hebben wij antagonisten?

a)

omdat een spier anders niet genoeg kracht kan uitoefenen

b)

omdat een spier altijd een antagonist moet hebben

c)

Omdat spieren niet zelf kunnen strekken

d)

Omdat spieren niet uit zichzelf kunnen samentrekken

37.

Wat is de werking van een spier?

a)

Een spier trekt samen, hierdoor wordt de spier korter. De botten die aan de spieren vast zitten, worden naar elkaar toegetrokken.

b)

Een spier trekt samen doordat er zuurstof bij de spier komt, het zuurstof zorgt voor de samentrekking van deze spieren.

c)

Een spier rekt uit, hierdoor wordt de spier langer. De botten die aan de spieren vast zitten, worden van elkaar weggeduwd.

38.

Een groep spiervezels noem je?

a)

Spiervezelbundel

b)

Spierbundel

c)

Pezen

d)

Vlies

39.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
40.

Spieren zitten met (a)   vast aan de botten

41.

Dit voel je als afvalstoffen in je spieren achterblijven.

a)

Verstuiking

b)

Spierpijn

c)

Rugpijn

42.

Cooling-down bevordert de doorbloeding van de spieren om de afvalstoffen af te voeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

In de afbeelding zie je een...

a)

Gewricht

b)

Kraakbeenverbinding

c)

Vergroeiing

d)

Naadverbinding

44.

Welk type gewricht zie je hier?

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Rolgewricht

45.

In welk deel van je arm kun je dit gewricht vinden?

a)

Schouder

b)

Elleboog

c)

Onderarm

46.

Benoem onderdeel 5

a)

Sleutelbeen

b)

Schouderblad

c)

Borstbeen

d)

Ribbenkast

47.

Benoem onderdeel 13

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Dijbeen

48.

Tekort aan deze stof zorgt ervoor dat de botten van oude mensen breekbaarder worden

a)

Lijmstof

b)

Kalkstof

49.

Deze stof zorgt voor de stevigheid van botten.

a)

lijmstof

b)

kalk

50.

Deze stof zorgt voor de buigzaamheid van botten.

a)

lijmstof

b)

kalk

51.

Wat is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

52.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
53.

Welk bot is het grootst?

a)

Dijbeen

b)

Rib

c)

Ellepijp

d)

Kuitbeen

54.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

55.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

56.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

57.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

58.

In het groen zijn de ..... te zien.

a)

Voetwortelbeentjes

b)

Teenkootjes

c)

Middenvoetsbeentjes

59.

Welk is geen functie van het skelet

a)

Stevigheid

b)

Beweging

c)

Bescherming

d)

Voelen

e)

Vorm

60.

Wat voor een beenverbinding is te zien in het plaatje

a)

Naad

b)

Vergroeid

c)

Kraakbeen

d)

Gewricht

61.

Wat voor een verbinding is hier te zien?

a)

Naad

b)

Kraakbeen

c)

Gewricht

d)

Vergroeid

62.

Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Kapselband

63.

Welk onderdeel is aangegeven met nummer 3?

a)

Gewrichtskapsel

b)

Kapselband

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

64.

Welk onderdeel is aangegeven met nummer 2?

a)

Gewrichtskogel

b)

Gewrichtskom

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Kapselband

65.

Wat voor een gewricht is hier te zien?

a)

Scharniergewricht

b)

Rolgewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

66.

Wat is een peristaltische beweging?

a)

een beweging waarbij je een spier verrekt

b)

een beweging die spierpijn veroorzaakt

c)

de beweging van de spieren als je een arm buigt

d)

de beweging die de slokdarm maakt om eten door te slikken

67.

Een voorbeeld van antagonisten zijn

a)

lengtespieren in de onderarm

b)

teenspieren en vingerspieren

c)

biceps en triceps

d)

pezen en spiervezels

68.

bij een verzwikking moet je het volgende doen:

a)

gips om de enkel heen doen

b)

het gewricht masseren

c)

het gewricht koelen met ijs

d)

het gewricht met rust laten

69.

Het gekleurde deel van het oog heet ..

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

70.

In het midden van het gekleurde gedeelte van het oog zit een opening, dat is ..

a)

De hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

71.

Wat geeft onderdeel 5 weer?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Gele vlek

72.

Wat geeft onderdeel 6 weer?

a)

Netvlies

b)

Gele vlek

c)

Vaatvlies

73.

Wat geeft onderdeel 8 weer?

a)

Gele vlek

b)

Netvlies

c)

Blinde vlek

d)

Hoornvlies

74.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht

b)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht

c)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

75.

Wat geeft onderdeel A weer?

a)

Wenkbrauw

b)

Traanklier

c)

Traanbuis

d)

Oogspier

76.

Welk nummer geeft het hoornvlies aan

a)

2

b)

3

c)

4

d)

9

77.

Welk nummer geeft de lens aan

a)

5

b)

6

c)

10

d)

11

78.

Welk nummer geeft de oogspier aan

a)

1

b)

2

c)

8

d)

9

79.

Welk nummer geeft de oogzenuw aan

a)

1

b)

5

c)

7

d)

8

80.

Welk nummer geeft de pupil aan

a)

10

b)

11

c)

12

d)

6

81.

Welk nummer geeft het deel aan van het oog waarin zich de zintuigcellen van het oog bevinden

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

82.

'Beschermt de ogen tegen vuil en fel licht'

Deze functie hoort bij:

a)

Wenkbrauwen

b)

Wimpers

c)

Oogleden

d)

Traanvocht

e)

Traanbuizen

83.

'De ogen beschermen tegen uitdroging'

Deze functie hoort bij:

a)

Wenkbrauwen

b)

Wimpers

c)

Oogleden

d)

Traanvocht

e)

Traanbuizen

84.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
85.
Welk antwoord is géén gehoorbeentje?
a)
Aambeeld
b)
Zadel
c)
Hamer
d)
Stijgbeugel
86.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Buis van Eustachius
c)
Trommelholte
87.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
88.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Gehoorbeentjes
c)
Evenwichtsorgaan
89.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Evenwichtsorgaan
c)
Gehoorbeentjes
90.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Gehoorgang
c)
Trommelholte
91.

Via de gehoorbeentjes komen de trillingen aan bij

a)

Het trommelvlies

b)

Stijgbeugel

c)

Slakkenhuis

92.

Wat is de juiste route die de trillingen afleggen om in de hersenen te komen?

a)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

b)

Trommelvlies-gehoorgang-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

c)

Gehoorgang-gehoorbeentjes-trommelvlies-slakkenhuis-oorzenuw

d)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-oorzenuw-slakkenhuis

93.

wat is de functie van de buis van Eustachius?

a)

het verder vervoeren van geluidstrillingen

b)

afvoeren van overtollig oorsmeer

c)

afvoeren van binnendringende stofdeeltjes

d)

het gelijk houden van luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies

94.

In je trommelvlies worden de geluiden doorgegeven aan je gehoorzenuw

a)

waar

b)

niet waar

95.

de functie van oorsneer is:

a)

het soepel houden van het trommelvlies

b)

het smeren van de gehoorbeentjes

c)

de oorschelp soepel houden

96.

Wat is de functie van de oorschelp?

a)

Het opvangen van geluid

b)

Hierin zitten de gehoor zintuigen

c)

Geeft door middel van trillingen geluid door aan het slakkenhuis

97.

Welke twee holtes worden met elkaar verbonden via de buis van Eustachius?

a)

De gehoorgang en de trommelholte

b)

De trommelholte en keelholte

c)

De trommelholte en het slakkenhuis

98.

Uit welke 2 lagen bestaat de huid?

a)

Lederhuid

b)

Onderhuids bindweefsel

c)

Opperhuid

d)

vet

99.

Uit welke 2 lagen bestaat de opperhuid?

a)

Kiemlaag

b)

Lederhuid

c)

Opperhuid

d)

Hoornlaag

100.

De functie van de hoornlaag is...

a)

Het beschermen tegen beschadiging, uitdroging en ziektes.

b)

Het delen van de cellen om de huid te vernieuwen.

101.

De drukzintuigen liggen...

a)

diep in de huid.

b)

onder de opperhuid.

102.

Wat is de functie van zweet?

a)

Het afkoelen van je lichaam door verdamping.

b)

Het opwarmen van je lichaam door verdamping.

c)

Het afkoelen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

d)

Het opwarmen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

103.

In onderhuids bindweefsel....

a)

Liggen vetten opgeslagen als reservevoedsel.

b)

Liggen eiwitten opgeslagen als reservevoedsel.

c)

Liggen suikers opgeslagen als reservevoedsel.

104.

Waar wordt pigment aangemaakt?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

105.

Wat is de functie van pigment?

a)

Bruin worden

b)

Beschermen tegen uv-straling

c)

Je huid rood maken, zodat je ziet dat je bent verbrand

d)

Heeft geen functie

106.

Als je het koud hebt, zijn je bloedvaten...

a)

Groter

b)

Kleiner

107.

In welke laag van de huid zitten talgklieren en zweetklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuidse bindweefsel

108.

In welk deel van de huid worden nieuwe huidcellen gemaakt?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

109.

In welk gedeelte van de huid zit een haarzakje?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

110.

Een (a)   is een verandering uit de omgeving waarop je kunt reageren

111.

'Alles wat een mens of dier doet' noemen we:

(a)  

112.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

113.

Sommige prikkels, roepen altijd hetzelfde gedrag op.

Dit heet een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

114.

een prikkel die sterker is dan een normale sleutelprikkel. Deze prikkels hebben een onweerstaanbare invloed op het gedrag van de prikkelontvanger

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

115.

Soms wordt er juist helemaal niet meer op een prikkel gereageerd, omdat de prikkel zo vaak wordt herhaald. Dit noem je dan:

(a)  

116.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

117.

Gedrag met als functie het afbakenen van een 'leefruimte' en het verdedigen ervan tegen binnendringende soortgenoten.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

118.

Dit is gedrag dat aan de paring vooraf gaat en uiteindelijk de kans op paren vergroot.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

119.

Gedrag waarbij een dier zich zo groot en indrukwekkend mogelijk maakt, om te laten zien dat je niet met hem kunt sollen.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

120.

Je ziet hier een voorbeeld van....

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

121.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

122.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

123.

(a)   gedrag is erfelijk bepaald, al vanaf de geboorte en hoeft niet door ouders worden aangeleerd.

124.

(a)   gedrag is gedrag dat is ontwikkeld doordat een mens/dier het zichzelf leert of van anderen heeft geleerd.

125.

Hiernaast zie je een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

126.

Volwassen meeuwen hebben een rode stip op de onderkant van hun snavel. De jonge vogels openen bij het zien van deze stip altijd direct hun snaveltjes om gevoerd te kunnen worden.

Dit is een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

127.

Welke manier van leren zie je hier?

a)

inzichtelijk leren

b)

conditioneren

c)

imiteren

d)

trial and error

128.

Gedragsregels waaraan veel mensen vinden dat je je eraan moet houden, zijn ...

a)

normen

b)

waarden

129.

Een bioloog die diergedrag bestudeert is een

a)

Socioloog

b)

Ecoloog

c)

Etholoog

d)

Psycholoog

130.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

131.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram

132.

je spreekt van een gedragsketen als

a)

Er gepaard wordt

b)

een dier 2 keer dezelfde handeling verricht per minuut

c)

gedrag uit een serie vaste handelingen en vaste volgorde bestaat

d)

Als een dier in het wild ander gedrag laat zien dan in gevangenschap

133.

Dit is een voorbeeld van een ethogram

a)

waar

b)

niet waar

134.

Dit is een voorbeeld van een protocol

a)

juist

b)

onjuist

135.

Selecteer voorbeelden van een protocol

a)
b)
c)
d)
136.

De hond ligt verdrietig in de mand.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

137.

De kat ligt stil bij de baas op schoot en spint zacht.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving