wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

quiz h6 licht nova m/h

Total questions: 53

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Wat noem je een voorwerp dat zelf licht geeft?

a)

Kleur

b)

Lichtbron

c)

Reflector

d)

Schaduw

2.

Wat noem je een voorwerp dat zelf licht geeft?

a)

Kleur

b)

Lichtbron

c)

Reflector

d)

Schaduw

3.

Wat gebeurt er met lichtstralen op grotere afstand van een lichtbron?

a)

Ze veranderen van kleur

b)

Ze verdwijnen

c)

Ze bewegen verder uit elkaar

d)

Ze worden sterker

4.

Wat ontstaat er als een voorwerp het licht tegenhoudt?

a)

Een kleur

b)

Een reflectie

c)

Een schaduw

d)

Een spectrum

5.

Wat is de kernschaduw?

a)

Het gebied waar het licht het sterkst is

b)

Het gebied met diffuus licht

c)

Het licht dat weerkaatst wordt

d)

Het donkerste deel van de schaduw

6.

Wat is spiegelende terugkaatsing?

a)

Licht dat niet terugkaatst

b)

Licht dat wordt geabsorbeerd

c)

Licht dat gericht terugkaatst

d)

Licht dat in alle richtingen terugkaatst

7.

Wat is de normaal in de context van een spiegel?

a)

De lijn die de spiegel snijdt

b)

De hoek van inval

c)

De hoek van terugkaatsing

d)

De lijn die loodrecht op de spiegel staat

8.

Wat gebeurt er met licht als het door een prisma gaat?

a)

Het verandert van kleur

b)

Het wordt sterker

c)

Het wordt zichtbaar als een spectrum

d)

Het wordt geabsorbeerd

9.

Wat is een voorbeeld van een kunstmatige lichtbron?

a)

Een lamp

b)

De sterren

c)

De zon

d)

De maan

10.

Wat gebeurt er met een gele trui onder een natriumlamp?

a)

Hij lijkt zwart

b)

Hij lijkt blauw

c)

Hij lijkt geel

d)

Hij lijkt groen

11.

Wat is infrarode straling?

a)

Straling die geen effect heeft

b)

Straling die alleen door lampen wordt uitgezonden

c)

Straling die je voelt als warmte

d)

Straling die zichtbaar is voor het menselijk oog

12.

Wat doet de ozonlaag?

a)

Het houdt ultraviolette straling tegen

b)

Het laat alle straling door

c)

Het absorbeert zichtbaar licht

d)

Het reflecteert infrarode straling

13.

Wat is een toepassing van ultraviolette straling?

a)

Zonnebrandcrème

b)

Verlichting

c)

Zonnebanken

d)

Verwarming

14.

Wat gebeurt er met een paarse trui onder een natriumlamp?

a)

Hij lijkt paars

b)

Hij lijkt geel

c)

Hij lijkt zwart

d)

Hij lijkt blauw

15.

Wat is het spectrum?

a)

Een soort schaduw

b)

Een verzameling van kleuren

c)

Een soort lamp

d)

Een type straling

16.

Wat is de relatie tussen de hoek van inval en de hoek van terugkaatsing?

a)

Ze zijn altijd gelijk

b)

Ze zijn niet relevant

c)

Ze zijn afhankelijk van de kleur

d)

Ze zijn altijd verschillend

17.

Een gele trui wordt beschenen door een blauwe lamp.

Je ziet deze trui dan:

a)

geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

groen

18.

Waarvan hangt het aantal schaduwen van een voetballer in een verlicht stadion bij een avondwedstrijd af?

a)

van de positie van de voetballer

b)

van het aantal voetballers op het veld

c)

van het tijdstip op de avond

d)

van het aantal lichtmasten

19.

Een gele trui wordt beschenen door een blauwe lamp.

Je ziet deze trui dan:

a)

geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

groen

20.

Het zichtbaar licht bevat o.a. volgende kleuren:

a)

violet

b)

Rood

c)

blauw

d)

groen

e)

bruin

21.

Een kunstmatige lichtbron is...?

a)

door de mens gemaakt.

b)

komt voor in de natuur.

22.

Wat zijn natuurlijke lichtbronnen? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

Zon

b)

Kaars

c)

Kampvuur

d)

Bliksem

23.

Lichtstralen gaan in...?

a)

Rechte lijnen

b)

Kromme lijnen

c)

Rechte en kromme lijnen

d)

Gaan nergens naartoe

24.

Licht is altijd afkomstig van

a)

de zon

b)

een lamp

c)

iets wits

d)

een lichtbron

25.

Een warmtescan kun je gebruiken om warmteverlies van je woning op te sporen. Hier maakt men gebruik van ...

a)

Uv-straling

b)

Microgolven

c)

Rontgenstraling

d)

Infrarode straling

26.

Uv-straling is minder schadelijk dan Ir-straling

a)

Waar

b)

Niet waar

27.

Welke soort licht zie je op de afbeelding?

a)

gammastraling

b)

infrarood-straling

c)

röntgenstraling

d)

microgolven

28.

Welke soort licht zie je op de afbeelding?

a)

gammastraling

b)

infrarood-straling

c)

röntgenstraling

d)

microgolven

29.

Een warmtelamp heeft zijn eigen kleurenspectrum. Als je een thermometer langs dit spectrum beweegt, verandert de temperatuur met de kleur van het licht. In welke kleur zal de thermometer de hoogste temperatuur aangeven?

a)

vlak voor het rood

b)

in het rood

c)

in het violet

d)

net voorbij het violet

30.

Waar of niet waar.

Ultraviolette straling is onzichtbaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Welke lichtbron maakt een lichtbundel?

         

      

a)

computerscherm

b)

kaars

c)

zaklamp

d)

zon

32.

De kleuren rood, groen en blauw maken samen alle kleuren op een computerscherm.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Een regendruppel breekt zonlicht.

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

De letters A, M, O en K zien er hetzelfde uit als je ze in een spiegel bekijkt.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Een lichtbundel bestaat uit lichtstralen die alle kanten op gaan.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Welke warmtestraling straalt een mens uit?

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

37.

Welke straling gaat niet door je botten.

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

38.

Welke soort elektromagnetische straling zie je op de afbeelding?

a)

zichtbaar licht

b)

ultraviolet-straling

c)

kosmische straling

d)

tv-golven

39.

Is op de foto sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

40.

Is op de foto sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

41.

Is op de afbeelding sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

42.

Achter een brandende kaars staat een foto.

In welke van de afbeeldingen is de schaduw juist weergegeven.

a)

A

b)

B

c)

C

43.

Waarvan hangt het aantal schaduwen van een voetballer in een verlicht stadion bij een avondwedstrijd af?

a)

van de positie van de voetballer

b)

van het aantal voetballers op het veld

c)

van het tijdstip op de avond

d)

van het aantal lichtmasten

44.

Als je het klein beeldje dichter bij de lichtbron schuift dan wordt de schaduw groter.

a)

juist

b)

onjuist

45.

Zijn de figuren (punten) elkaars spiegelbeeld?

a)

ja

b)

nee

46.

Zijn de figuren (lijnstukken) elkaars spiegelbeeld?

a)

ja

b)

nee

47.

Als een voorwerp rood is, wordt alleen het rode licht door het voorwerp opgenomen. 

a)

Waar

b)

Niet Waar

48.

Welke hoek is in figuur 1 de hoek van inval?

a)

Hoek 1

b)

Hoek 2

c)

Hoek 3

d)

Hoek 4

49.

Een lichtstraal valt op een spiegel zoals in de afbeelding.

Onder welke hoek moet de normaal ten opzichte van de spiegel worden getekend?

a)

90 graden

b)

60 graden

c)

45 graden

d)

30 graden

e)

180 graden

50.

In een huis staan bij een raam 2 schemerlampen. ’s Avonds gaan de lampen aan. Op welke van de afbeeldingen is juist weergegeven het licht naar buiten schijnt.

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

51.

Je staat voor een spiegel en doet een stap naar voren.

          Wat doet je spiegelbeeld?

a)

Je spiegelbeeld blijft staan op dezelfde plaats.

b)

Je spiegelbeeld doet een stap naar achteren.

     

c)

  Je spiegelbeeld doet een stap naar voren.

d)

  Je spiegelbeeld stapt naar links of naar rechts, afhankelijk van de stand van de spiegel.

 

52.

Wat verstaan we onder evenwijdige lichtstralen?

a)

Lichtstralen die uit elkaar lopen

b)

Lichtstralen die naar elkaar toelopen

c)

Lichtstralen die alle kleuren hebben

d)

Lichtstralen die naast elkaar blijven lopen

53.

Lasergame

Het laserpistool ‘schiet’ een lichtstraal als je de trekker overhaalt. Alle voorwerpen in de tekening zijn zo hoog dat je er niet overheen kunt kijken.

Selecteer alle juiste zinnen

a)

Luc kan Ibrazim wel zien

b)

Hilda kan Anton niet zien

c)

Hilda kan Luca niet zien