Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BK4 Zenuwstelsel en Hormoonstelsel

Total questions: 39

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een functie van het zenuwstelsel?

a)

Opslaan van glycogeen

b)

Produceren van hormonen

c)

Verwerken van impulsen

d)

Regelen van de ademhaling

2.

Welke delen behoren tot het centrale zenuwstelsel?

a)

Zenuwen en klieren

b)

Hersenen en zenuwen

c)

Hersenen en ruggenmerg

d)

Ruggenmerg en spieren

3.

Wat is een gevoelszenuw?

a)

Zenuw die impulsen naar klieren geleidt

b)

Zenuw die impulsen binnen het centrale zenuwstelsel geleidt

c)

Zenuw die impulsen van zintuigen geleidt

d)

Zenuw die impulsen van spieren geleidt

4.

Wat doet insuline in het lichaam?

a)

Verlaagt de bloeddruk

b)

Zorgt voor opname van glucose

c)

Verhoogt de hartslag

d)

Stimuleert de groei van botten

5.

Wat is de functie van de kleine hersenen?

a)

Zintuiglijke informatie verwerken

b)

Impulsen geleiden naar de spieren

c)

Bewegingen coördineren

d)

Bewuste bewegingen maken

6.

Wat zijn reflexen?

a)

Reacties die alleen bij pijn optreden

b)

Reacties die altijd via de hersenen gaan

c)

Vaste, snelle, onbewuste reacties

d)

Langzame reacties op prikkels

7.

Wat is een schakelcel?

a)

Cel die hormonen produceert

b)

Cel die impulsen naar spieren geleidt

c)

Cel die impulsen binnen het centrale zenuwstelsel geleidt

d)

Cel die impulsen van zintuigen geleidt

8.

Wat doet adrenaline?

a)

Verlaagt de hartslag

b)

Reguleert de temperatuur van het lichaam

c)

Stimuleert de groei van spieren

d)

Verhoogt de glucosespiegel

9.

Wat is de functie van de hypofyse?

a)

Produceert groeihormoon

b)

Beïnvloedt de hartslag

c)

Produceert insuline

d)

Regelt de stofwisseling

10.

Wat zijn gemengde zenuwen?

a)

Zenuwen die alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen bevatten

b)

Zenuwen die alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen bevatten

c)

Zenuwen die uitlopers van beide soorten zenuwcellen bevatten

d)

Zenuwen die geen uitlopers hebben

11.

Wat is een inwendige prikkel?

a)

Prikkel van buitenaf

b)

Prikkel die in het lichaam zelf ontstaat

c)

Prikkel die door de zintuigen wordt waargenomen

d)

Prikkel die geen effect heeft

12.

Wat is de functie van de hersenstam?

a)

Regelt de ademhaling en hartslag

b)

Verwerkt zintuiglijke informatie

c)

Produceert hormonen

d)

Coördineert bewegingen

13.

Wat is een bewegingszenuw?

a)

Zenuw die impulsen naar het centrale zenuwstelsel geleidt

b)

Zenuw die impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren geleidt

c)

Zenuw die impulsen van zintuigen geleidt

d)

Zenuw die geen functie heeft

14.

Wat is een uitloper van een zenuwcel?

a)

Deel dat geen functie heeft

b)

Deel dat hormonen produceert

c)

Deel dat impulsen doorgeeft

d)

Deel dat de celkern bevat

15.

Wat is de functie van de schildklier?

a)

Produceert schildklierhormoon

b)

Regelt de groei van botten

c)

Produceert adrenaline

d)

Beïnvloedt de spijsvertering

16.

Je hormonen hebben invloed op:

het produceren van speeksel

a)

waar

b)

niet waar

17.

Belangrijke hormoonklieren zijn:

a)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren

b)

Hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

c)

Speekselklieren, zweetklieren, traanklieren, hypofyse, de schildklier, de alvleesklier en de bijnieren

18.

Hormonen zijn stoffen die de werking van bepaalde organen regelen

a)

waar

b)

niet waar

19.

Wat is de functie van hormoon klieren?

a)

Impulsen doorgeven aan het zenuwstelsel

b)

Respons doorgeven aan het lichaam

c)

Het produceren van hormonen

d)

Het produceren van cellen

20.

Je hormonen hebben invloed op:

je groei en ontwikkeling

a)

waar

b)

niet waar

21.

Je hormonen hebben invloed op:

de zweet productie van je lichaam

a)

waar

b)

niet waar

22.

Komen hormonen uit bijvoorbeeld de eierstokken van de vrouw ook in haar vingers voor?

a)

Ja, want ze komen via het bloed in het hele lichaam terecht

b)

Nee, ze gaan alleen naar de organen die ze nodig hebben.

23.

Als je glucose gehalte in je bloed te laag is (onder de 0,1%) maakt je lichaam

a)

Insuline aan

b)

Glucagon aan

24.

Insuline zorgt er voor dat het glucose (suiker) gehalte in je bloed:

a)

daalt

b)

stijgt

25.

Als je suikerziekte hebt maakt je lichaam een bepaald hormoon niet meer aan, dit is:

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

eilandjes van Langerhans

26.

Ben zijn lichaam maakt al sinds hij een kind is geen insuline meer aan. Ben heeft Diabetes

a)

Type 1

b)

Type 2

27.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

28.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

29.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingsszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

30.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

31.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

32.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
33.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
34.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

35.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

36.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

37.

Wat is een gemengde zenuw?

a)

deze bevat uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

b)

deze bevat cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Geen van beide

38.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

39.

Wat is de naam van onderdeel 1 en wat geven de zwarte pijlen aan (=2.) in dit onderdeel?

a)

1=celkern, 2=prikkel

b)

1=uitloper, 2=impuls

c)

1=uitloper, 2=prikkel

d)

1=cellichaam, 2=impuls