wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema Zintuigen, bs. 1

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
2.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

3.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
4.
Je neemt waar doordat je iets
a)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft
b)
eet, voelt, ruikt, ziet, hoort
c)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt
d)
doet
5.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
6.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
7.
Is dit een prikkel of een impuls?
a)
prikkel
b)
impuls
8.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
9.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
10.
Is dit een adequate prikkel voor je evenwichtszintuig?
a)
ja
b)
nee
11.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
12.

Elk zintuig is gevoelig voor

a)

dezelfde prikkel

b)

veel prikkels

c)

één eigen prikkel

d)

geen prikkel

13.

Is dit een prikkel of een impuls?

a)

prikkel

b)

impuls

14.

Welke antwoorden zijn een voorbeeld van prikkels? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Licht en geur

b)

Pijn en geluid

c)

Huid en tong

d)

Smaakzintuig en reukzintuig

15.

Welke zintuigen liggen er in je huid?

Er zijn meerdere antwoorden goed!

a)

warmtezintuig

b)

smaakzintuig

c)

pijnzintuig

d)

tastzintuig

e)

lichtzintuig

16.

In je huid zitten verschillende zintuigen. Welk zintuig heb je nodig om te merken dat iets koud is?

a)

Het kou zintuig

b)

Het warmte zintuig

c)

De temperatuurszintuig

17.

Wat doe je met je ogen?

a)

horen

b)

zien

c)

voelen

d)

proeven

e)

ruiken

18.

Wat doe je met je handen?

a)

horen

b)

zien

c)

voelen

d)

proeven

e)

ruiken

19.

Wat doe je met je neus?

a)

horen

b)

zien

c)

voelen

d)

proeven

e)

ruiken

20.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

21.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
22.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

23.

Bram slaapt vast. 's Morgens aan tafel vraagt zijn vader of Bram het harde onweer nog gehoord heeft. Hij zegt van niet. Bram's vader heeft het onweer wel gehoord. Hij is niet zo'n vaste slaper.

Waardoor heeft Bram het onweer waarschijnlijk niet gehoord?

a)

Als je vast slaapt is je drempelwaarde hoger.

b)

Als je vast slaapt maken je zintuigen geen impulsen aan.

c)

Als je vast slaapt zijn er geen prikkels.

24.

Jan wandelt door het bos. Hij heeft zijn encyclopedie over wilde vogels meegenomen. Hij hoort takjes kraken onder zijn voeten. Hij hoort de wind waaien door de bomen. Plotseling hoort hij heel erg zachtjes in de verte het gezang van een nachtegaal. Iemand anders die in hetzelfde bos zijn hond uitlaat, hoort de nachtegaal niet.

Waarmee kun je dit verschil in waarneming verklaren?

a)

Door gewenning heeft Jan een lagere drempelwaarde voor deze geluiden.

b)

Door motivatie heeft ze een lagere drempelwaarde voor deze geluiden.

c)

Het gehoororgaan van Jan is gevoelig voor andere adequate prikkels.