wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Negentiende Eeuw

Total questions: 69

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Wat veranderde er met de uitvinding van de stoommachine?

a)

Mensen gingen thuiswerken.

b)

mensen konden zich sneller verplaatsen.

c)

Producten werden veel sneller gemaakt.

d)

Fabrieken werden niet meer gebruikt.

2.

Waarom woonden al deze mensen in een kleine ruimte?

a)

Dat was lekker warm en mensen vonden het gezellig.

b)

Er was weinig woonruimte in de buurt van de fabriek en de arbeiders hadden niet veel geld.

c)

De directeuren van de fabrieken stopten de mensen in kleine huizen zodat ze zelf in grote huizen konden wonen.

3.

Waaruit blijkt dat veel mensen in de tijd van burgers en stoommachines heel arm waren?

a)

Zelfs kinderen moesten werken om voldoende geld voor eten te verdienen.

b)

Kinderen jonger dan 12 hadden vaak honger en kregen op school eten.

c)

Veel kinderen werkten op het platteland en kregen in ruil daarvoor eten mee naar huis.

4.

Wie streed voor vrouwenkiesrecht?

a)

Aletta Jacobs

b)

Koning Willem I

c)

Multatuli

d)

Vincent van Gogh

5.

Lees de zinnen. Wat is een voorbeeld van ongelijkheid in de 19e eeuw?

a)

Dieren op het platteland moesten werken, dieren in de stad niet.

b)

De koning had veel macht, het volk niet.

c)

Sommige steden hadden al wel een tram, andere steden nog niet.

6.

Welke uitspraak omschrijft het begrip 'nationalisme' het best?

a)

'Nederland is het beste land van de wereld en iedereen moet dat weten!!!'

b)

'Ik vind het belachelijk dat mijn kinderen moeten werken. Schaf kinderarbeid af!!!'

7.

In de negentiende eeuw golden in fabrieken strenge veiligheidsregels

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Bij welke stroming past de volgende zin:

'Eerlijk zullen we alles delen'

a)

Liberalen

b)

Socialisten

9.

Welke groep was het eens met de volgende stelling:

Als een man mag stemmen bij een verkiezing, dan moet een vrouw dat ook mogen

a)

Socialisten

b)

Liberalen

c)

Feministen

10.

Door de industriële revolutie hadden boeren ... werk

(a)  

11.

Wat zijn kenmerken van een industriele samenleving?

(meerdere antwoorden zijn goed)

a)

De meerderheid van de bevolking woont in de stad.

b)

De bevolking vormt een standensamenleving met 3 standen.

c)

De meerderheid van de bevolking werkt in de industrie

12.

Tijdens de industriele revolutie werd er veel snller geproduceerd

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Wat is geen kenmerk van een industriële samenleving?

a)

grootste deel leeft en werkt in de stad

b)

industrie en diensten belangrijkste middelen van bestaan

c)

ontstaan van een arbeidersklasse en een middenklasse

d)

steeds meer mensen verhuisden van stad naar platteland

14.

In welk land begon de Industriële revolutie?

a)

Duitsland

b)

Frankrijk

c)

Nederland

d)

Engeland

15.

De maker van de eerste bruikbare stoommachine is:

a)

John Kay

b)

Eli Whitney

c)

James Watt

d)

James Hargreaves

16.

De Industriële Revolutie noemen we een revolutie...

a)

vanwege de snelle maatschappelijke omwentelingen

b)

vanwege de vele verschillende oorzaken

c)

vanwege de grote gevolgen voor de samenleving

d)

vanwege de vele revolutionaire uitvindingen zoals de stoommachine

17.

Dit is een landbouwsamenleving

a)

waar

b)

niet waar

18.

Waarom verhuisden mensen massaal van het plattenland naar steden?

a)

Hun familie woonde daar al

b)

Mensen hadden last van het lawaai van de trein

c)

Er was veel werk te vinden in de stad

d)

Het werd saai op het plattenland

19.

Wat was geen gevolg van de Industriële Revolutie?

a)

Arbeiders gingen katoenen kleding dragen

b)

De agrarische revolutie

c)

Het ontstaan van een net van onderling verbonden kanalen

d)

Spoorwegen

20.

Welke uitvinding is op de afbeelding zichtbaar?

a)

Spinmachine

b)

Stoommachine

c)

Weefmachine

d)

Gloeilamp

21.

In welk tijdvak speelde de Industriële Revolutie zich af?

a)

Pruiken en Revoluties

b)

Regenten en vorsten

c)

Steden en Staten

d)

Burgers en Stoommachines

22.

Welk begrip hoort niet in het rijtje thuis:

a)

industrialisatie

b)

fabrieken

c)

machines

d)

handarbeid

23.

Landarbeider hoort bij de

a)

Landbouw sector

b)

Industrie sector

c)

Diensten sector

24.

Een winkelier hoort bij de

a)

Landbouw sector

b)

Industrie sector

c)

Diensten sector

25.

Een fabrieksarbeider hoort bij de

a)

Landbouw sector

b)

Industrie sector

c)

Diensten sector

26.

Een Boer hoort bij de

a)

Landbouw sector

b)

Industrie sector

c)

Diensten sector

27.

Had de revolutie ook nadelen?

a)

Nee, er waren geen nadelen

b)

Ja, voor de fabriekseigenaren en het milieu

c)

Ja, voor de fabrieksarbeiders en het milieu

d)

Ja, voor de fabrieksarbeiders en de economie

28.

Welke van de 4 veranderingen stond NIET in de grondwet van 1848?

a)

De koning wordt onschendbaar. De ministers zijn verantwoordelijk voor de koning.

b)

Er komt algemeen kiesrecht

c)

De macht wordt vanaf nu verdeeld over drie verschillende machten.

d)

Iedereen krijgt dezelfde grondrechten.

29.

In welk jaar krijgt Nederland een nieuwe grondwet?

a)

1748

b)

1848

c)

1917

d)

1919

30.

wie zie je hier op de foto?

a)

Koning Willem I

b)

Koning Willem II

c)

Johan Rudolf Thorbecke

31.

Nederland is een constitutionele Monarchie.

a)

waar

b)

niet waar

32.

Thorbecke was een liberaal. Wat is dat?

a)

Liberalen vinden dat de overheid zich veel met de burgers.moeten bemoeien.

b)

Liberalen vinden dat e meeste macht bij de koning meer moet liggen

c)

Liberalen vinden dat de burgers zoveel mogelijk beschermd moeten worden door de overheid.

d)

Liberalen vinden dat de overheid zich juist zo weinig mogelijk moet bemoeien met de burgers en de samenleving.

33.

Een land met een koning als staatshoofd noem je een...

a)

Monarchie

b)

parlementaire democratie

c)

Republiek

34.
Welk antwoord legt het beste uit waarom censuskiesrecht oneerlijk is?
a)
Bij censuskiesrecht mogen alleen rijke mannen en vrouwen  die genoeg belasting betalen stemmen. 
b)
Bij censuskiesrecht mogen alleen burgers stemmen die genoeg belasting betalen. 
c)
Bij censuskiesrecht mogen alleen mannen stemmen
d)
Bij censuskiesrecht mogen alleen rijke mannen stemmen die genoeg belasting stemmen.
35.
Nederland krijgt in 1848 een nieuwe grondwet omdat:
a)
Thorbecke zijn voorstel voor een nieuwe grondwet zo goed was
b)
Willem I democratischer ging denken en de oude grondwet slecht vond
c)
Willem II bang was voor revolutie in Nederland zoals in andere landen
d)
Willem II een democraat was en vond dat het volk meer te vertellen moest hebben. 
36.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
37.

De Industriële Revolutie was de transitie van...

a)

Hadnewerk nara mahcines

b)

Absolutisme naar Revolutie

c)

Machines naar handwerk

d)

Handwerk naar machines

38.
Wat kun je zeggen over het werk van arbeiders rond 1870?
a)
te weinig vrije tijd
b)
hard werken voor weinig geld
c)
hard werken voor veel geld
39.

handarbeid of industrie?

iemand weeft thuis op een weefgetouw een stof

a)

handenarbeid

b)

industrie

40.

handarbeid of industrie?

een timmerman timmert een tafel

a)

handenarbeid

b)

industrie

41.

handarbeid of industrie?

in Limburg werken duizenden arbeiders in de aardewerkfabriek

a)

handenarbeid

b)

industrie

42.

handarbeid of industrie?

arbeiders maken in een fabriek lappen stof op enorme, door stoom aangedreven weefmachines

a)

handenarbeid

b)

industrie

43.

Welke zin is waar?

a)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen op het platteland, en werken ze in fabrieken

b)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen in steden en de meeste mensen werken in fabrieken

44.

Wat was het 'Congres van Wenen'?

a)

Het officiële einde van de Napoleontische oorlogen

b)

Het officiële einde van de Frans-Duitse Oorlog

c)

Een Europees overleg over de verdeling van koloniën

d)

Een Europees overleg over de Liberale opstanden

45.

Waar werden fabrieken vooral gebouwd?

a)

In het centrum van de stad

b)

Naast een spoorlijn

c)

Ver buiten de stad

d)

Op het platteland

46.

Welke waarde hoort er bij de liberalen?

a)

gelijkheid

b)

vrijheid

c)

tolerantie

d)

religie

47.
Een kernbegrip bij het liberalisme is gelijkheid.
a)
Goed
b)
Fout
48.
Socialisme is: 
a)
Het opkomen voor gelijke rechten van vrouwen. 
b)
De overheid moest zich niet te veel bemoeien met de arbeiders. 
c)
Je moest sociaal zijn voor elkaar. 
d)
Je moest opkomen voor onrechtvaardigheid in de samenleving. 
49.

Welke ideologie past het beste bij deze bron?

a)

Liberalisme

b)

Katholicisme

c)

Conservatisme

d)

Confessionalisme

50.

Welke ideologie past het beste bij deze bron?

a)

Liberalisme

b)

Socialisme

c)

Conservatisme

d)

Confessionalisme

51.

Bij welke ideologie past deze uitspraak over de Sociale Kwestie:

"Arbeiders moeten zich verenigen in vakbonden, zodat zij sterker staan in hun terechte eis voor betere lonen"

a)

liberalisme

b)

conservatisme

c)

socialisme

d)

confessionalisme

52.

Welke politieke stroming hoort bij welk begrip

a)

Liberalisme

1.

Vrijheid

b)

Socialisme

2.

Gelijkheid

c)

Confessionalisme

3.

godsdienst

53.

Deze groepen wilden dat álle volwassen Nederlanders stemrecht kregen:

a)

socialisten en liberalen

b)

feministen en nationalisten

c)

conservatieven en confessionelen

d)

feministen en socialisten

54.

Deze groep vond dat de grote verschillen in de klassensamenleving moesten verdwijnen:

a)

liberalen

b)

confessionelen

c)

socialisten

d)

feministen

e)

conservatieven

55.

Deze groep wil dat de macht van de overheid klein blijft:

a)

conservatieven

b)

socialisten

c)

nationalisten

d)

liberalen

e)

confessionelen

56.

De macht grijpen door een revolutie waardoor een ideale samenleving ontstaat waarin iedereen gelijk is - dat hoort bij:

a)

sociaal-democratie

b)

nationaal-socialisme

c)

communisme

d)

conservatisme

e)

confessionalisme

57.

'De economie kan alleen opbloeien door vrijhandel'. Deze uitspraak hoort bij het:

a)

socialisme

b)

conservatisme

c)

nationalisme

d)

liberalisme

58.

Wat past het beste bij deze bron?

a)

Feminisme

b)

Communisme

c)

Liberalisme

d)

Socialisme

59.
Socialisten willen dat de overheid de inkomensverschillen verkleint.
a)
Juist
b)
Onjuist
60.

Bij welke politieke stroming hoort deze poster? En waaraan zie je dat?

a)

Liberalen. Aan de sterke man op de poster.

b)

Confessionelen. Aan de hemel op de achtergrond.

c)

Socialisten. Aan de rode kleuren en de sterke arbeider.

61.
Wie was de leider van de liberalen?
a)
Thorbecke
b)
troelstra
c)
Domela Nieuwenhuis
62.
Deze afbeelding gaat over:
a)
Socialisme
b)
Feminisme
c)
Liberalen
d)
Confessionelen
63.

Welke ideologie past het beste bij deze bron?


Schilderij van Juli-revolutie 1830 in Frankrijk, Marianne (=symbool van Frankrijk) leidt de revolutionairen.

a)

Liberalisme

b)

Nationalisme

c)

Conservatisme

d)

Socialisme

64.

Welke twee ideologieën zijn vormen van socialisme?

(dus TWEE aanklikken)

a)

Nationaalsocialisme

b)

Sociaaldemocratie

c)

Communisme

d)

Modern-imperialisme

65.

De stroming die opkwam voor de arbeiders en streefde naar gelijkheid in macht en inkomen heet het ...

(a)  

66.

Wat is geen kenmerk van het nationaalsocialisme?

a)

Militarisme

b)

Antisemitisme

c)

Nationalisme

d)

Gelijkheid

67.

Welk begrip hoort bij: De overheid die jou wil overtuigen dat hun idee het beste en waarheid is.

a)

propaganda

b)

nationaalsocialisme

c)

kapitalisme

d)

communisme

68.

Wat is een ideologie?

a)

Ideeën over inrichting van samenleving

b)

Plan voor sociaaleconomische verhoudingen

c)

Programma van politieke partij

d)

Normen en waarden

69.

De Grondwet van 1848 was gemaakt door:

a)

Liberalisme

b)

Confessionalisme

c)

Socialisme

d)

Communisme