Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

herhaling 7.1-7.3

Total questions: 32

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Een ijsblokje in een glas limonade

a)

Smelt

b)

Verdampt

c)

Condenseert

d)

Stolt

2.

Welke faseovergang zie je hier afgebeeld?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Sublimeren

3.

De afstand tussen de deeltjes bij een gas is

a)

Groot

b)

Klein

c)

Heel klein

4.

Bij een hogere temperatuur gaan deeltjes

a)

groter worden

b)

sneller bewegen

c)

trager bewegen

d)

kleiner worden

5.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
6.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
7.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
8.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
9.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

10.

Wat is een goede beschrijving van een mengsel?

a)

Een mengsel bestaat alleen als vloeistof

b)

Een mengsel bestaat alleen in vaste vorm

c)

Een mengsel bestaat uit 1 soort moleculen en kan in alle fases voorkomen

d)

Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen en kan in alle fases voorkomen

11.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen

12.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

13.

Wat is de fase-overgang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Rijpen

14.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

15.

Welke fase-overgang is er als mijn trui hangt te drogen aan de waslijn?

a)

Condenseren

b)

Stollen

c)

Verdampen

d)

Vervluchtigen

16.

Ik heb een natte hand nadat ik eerst een ijsblokje had. Wat is er gebeurd?

a)

Het ijs is gestolt

b)

Het ijs is gesmolten

c)

Het ijs is bevroren

d)

Het ijs is vervluchtigt

17.

bij verwarming zetten de meeste stoffen uit

a)

waar

b)

niet waar

18.

wat doet het water hier?

a)

bevriezen

b)

verdampen

19.

Wat is verdampen?

a)

Van gas naar vloeibaar

b)

Van gas naar vast

c)

Van vast naar gas

d)

Van vloeibaar naar gas

20.

Wanneer een stof condenseert, wordt de stof...

a)

een gas

b)

een vaste stof

c)

een vloeistof

21.

Welke faseovergang is weergegeven met e?

a)

smelten

b)

stollen

c)

vervluchtigen

d)

rijpen

22.

De faseovergang van gasvormig naar vast heet...

a)

Stollen

b)

Smelten

c)

Condenseren

d)

Desublimeren

23.

In een vloeistof zitten de moleculen tegen elkaar aan, maar kunnen nog wel langs elkaar bewegen

a)

juist

b)

onjuist

24.

Verdampen is de faseovergang van vast naar gasvormig

a)

juist

b)

onjuist

25.

Bij koude lucht zitten de deeltjes dichter bij elkaar dan bij warme lucht.

a)

juist

b)

onjuist

26.

Bij een faseovergang breken de moleculen op in kleinere stukken.

a)

juist

b)

onjuist

27.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
28.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
29.
een blokje ijzer heeft een vaste vorm
a)
ja want het is een vaste stof
b)
nee want het is een vaste stof
c)
ja want het is een vloeistof
d)
nee want het is een vloeistof
30.

"Kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars." Welke faseovergang is dit?

a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
31.

Bij een faseovergang worden er nieuwe moleculen gemaakt

a)

waar

b)

niet waar

32.

Als je hout verft, is de nieuwe kleur dan een stofeigenschap?

a)

ja

b)

nee

c)

kleur is nooit een stofeigenschap