wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Wetboek van Strafvorderingen

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Onder welke categorie opsporingsambtenaar vallen (onder-)Officieren van de Koninklijke Marechaussee?

a)

Buitengewoon opsporingsambtenaar.

b)

Algemeen opsporingsambtenaar.

c)

Bijzonder opsporingsambtenaar.

2.

Wie wordt in het Wetboek van Strafvordering bedoeld met: 'Degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit'?

a)

Een medeplichtige.

b)

Een verdachte.

c)

Een dader.

3.

Een beveiliger ziet een man een etalageruit ingooien met een steen.

 

Kan de beveiliger deze man aanmerken als verdachte?

a)

Nee. De beveiliger heeft dezelfde bevoegdheden als een burger en daarom mag hij niet bepalen of iemand verdachte is.

b)

Ja. Er zijn feiten of omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld blijkt.

c)

Nee. Het staat niet vast of de man de ruit opzettelijk heeft ingegooid. Dit moet eerst worden vastgesteld.

4.

Een beveiliger is werkzaam in een groot warenhuis. Tijdens zijn surveillance ziet hij een man die regelmatig nerveus om zich heen kijkt en lang stil blijft staan bij de duurdere parfums. Hij vertrouwt deze man niet en loopt op hem af. Op het moment dat hij de beveiliger ziet, loopt hij snel naar buiten.

 

Kan de beveiliger deze man als verdachte worden aangemerkt?

a)

Nee. Er zijn geen feiten of omstandigheden die wijzen op een redelijk vermoeden.

b)

Ja. Er zijn feiten of omstandigheden die wijzen op een redelijk vermoeden.

c)

Ja. Hij was kennelijk iets van plan.

5.

Tijdens een winkelsurveillance ziet een beveiliger een man iets wegnemen zonder te betalen. Hij kan de man alleen niet direct aanhouden. De volgende dag komt hij de man weer tegen.

 

Wat mag de beveiliger in dit geval doen?

a)

De verdachte staande houden.

b)

Een Algemene opsporingsambtenaar (AOA) informeren.

c)

De verdachte alsnog aanhouden.

6.

Welke bevoegdheid heeft een beveiliger volgens het Wetboek van Strafvordering?

a)

Onderzoek aan kleding.

b)

Staande houden.

c)

Aanhouden op heterdaad.

7.

Welke verplichting heeft een beveiliger wanneer hij een verdachte heeft aangehouden?

a)

Hij moet de verdachte vragen naar zijn/haar personalia en een specifiek rapport opmaken.

b)

Hij moet de verdachte ten spoedigste voorgeleiden aan een (hulp)officier van justitie.

c)

Hij moet de verdachte onverwijld overdragen aan een opsporingsambtenaar.

8.

Wanneer mag een opsporingsambtenaar iemand staande houden?

a)

Altijd, als er maar sprake is van een verdachte.

b)

Alleen wanneer er sprake is van buiten heterdaad. Op heterdaad moet hij de verdachte aanhouden.

c)

Alleen wanneer hij de verdachte op heterdaad betrapt. Dus niet buiten heterdaad.

9.

Wat is het doel van staande houden?

a)

De verdachte ter plaatse ophouden om daarna over te kunnen gaan tot aanhouding.

b)


De verdachte van zijn vrijheid beroven.

c)

De verdachte ter plaatse ophouden voor het vaststellen van zijn personalia.

10.

en beveiliger mag de aangehouden verdachte aan zijn kleding onderzoeken.
 

Is deze stelling juist of onjuist?

a)

Juist. 

b)

Onjuist. 

11.

Op grond van welke wet mag een beveiliger op een vliegveld reizigers fouilleren?

a)

Het Wetboek van Strafvordering.

b)

De Luchtvaartwet.

c)

De Wet Wapens en Munitie.

12.

Wie behoort tot de algemeen opsporingsambtenaren?

a)

De ambtenaar douane en accijnzen.

b)

De officier van justitie.

c)

De treincontroleur bij de NS.

13.

Welke functionaris is een buitengewoon opsporingsambtenaar?

a)

Een inspecteur Nederlandse Arbeidsinspectie.

b)

Een officier van Justitie.

c)

Een officier van de Koninklijke Marechaussee.

14.

Een verdachte is verplicht zijn identiteitsgegevens op te geven aan een beveiliger.'

 

Is deze stelling juist of onjuist?

a)

Juist.

b)

Onjuist.

15.

Wat betekend bevoegdheid?

a)

Verwijtbaar handelen of nalaten.

b)

Onrechtmatig, tegen het recht in.

c)

Het recht hebben iets te doen.

16.

Wat betekend wederrechtelijk?

a)

Verwijtbaar handelen of nalaten.

b)

Onrechtmatig, tegen het recht in.

c)

Het recht hebben iets te doen.