wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands 3DO - Trim1

Total questions: 40

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Waarom zijn argumenten belangrijk?

a)
  • Ze maken een stelling korter.

b)
  • Ze ondersteunen een stelling met feiten.

c)
  • Ze overtuigen mensen van een standpunt.

d)
  • Ze laten zien wat een signaalwoord is.

2.

Welke van deze signaalwoorden geeft aan dat er een argument volgt?

a)
  • omdat

b)
  • volgens mij

c)
  • mijn standpunt is

d)
  • ik ben van mening

3.

Wat is het verschil tussen een standpunt en een argument?

a)
  • Een standpunt geeft een mening, een argument ondersteunt deze mening.

b)
  • Een standpunt ondersteunt een argument met feiten.

c)
  • Een argument geeft een mening, een standpunt geeft een feit.

d)
  • Er is geen verschil tussen een standpunt en een argument.

4.

Stelling of conclusie?
'Het is belangrijk dat leerlingen leren omgaan met tijdsdruk, omdat dit hen voorbereidt op de werkvloer.'

a)

stelling

b)

conclusie

5.

Stelling of conclusie;

Leerlingen hebben te veel stress, daarom zouden leerkrachten minder huiswerk moeten geven.

a)

stelling

b)

conclusie

6.

Stelling of conclusie:

Door te reizen leer je andere culturen beter kennen, aangezien je blik op de wereld verruimd wordt.

a)

stelling

b)

conclusie

7.

Vul het juiste signaalwoord in:
Kies uit: want, daarom, namelijk, omdat, aangezien, immers, bijgevolg, vandaar.
Het is belangrijk om voldoende te drinken, (a)   water helpt je lichaam goed te functioneren

8.

Vul het juiste signaalwoord in:
Kies uit: want, daarom, namelijk, omdat, aangezien, immers, bijgevolg, vandaar.

Hij heeft hard gewerkt aan zijn presentatie, (a)   kreeg hij veel complimenten van de leerkracht.

9.

Vul de juiste signaalwoorden in op de lege plekken. Kies uit: want, daarom, namelijk, omdat, aangezien, immers, bijgevolg, vandaar.

We zijn eerder naar huis gegaan, (a)   het concert was geannuleerd.

10.

Wanneer ik enkele inhoudelijke vragen bij een tekst moet beantwoorden, lees ik:

a)

Oriënterend

b)

Globaal

c)

Zoekend

d)

Intensief

11.

Als ik enkel de inleiding, de tussentitels, de eerste en de laatste zin van een tekst lees, lees ik:

a)

Oriënterend

b)

Globaal

c)

Zoekend

d)

Intensief

12.

Wanneer mijn garagist spreekt over die 'rammelkar', dan geeft hij het woord:

a)

Een positieve connotatie

b)

Een neutrale connotatie

c)

Een negatieve connotatie

13.

Wanneer de leerkracht 'duidelijke uitleg' gaf, was de connotatie:

a)

positief

b)

neutraal

c)

negatief

14.

Hij heeft een klein zakcentje gewonnen met de Euromillions-lotterij.

Bovenstaande zin is een:

a)

Understatement

b)

Hyperbool

15.

Ik heb al honderd jaar geen vakantie gehad.
Bovenstaande zin is een:

a)

Understatement

b)

Hyperbool

16.

Die tas weegt echt een ton.

Bovenstaande zin is een:

a)

Understatement

b)

Hyperbool

17.

Hyperbolen en understatements zijn vormen van

(a)  

18.

Een verzachtende uitdrukking die we gebruiken in plaats van een hard of negatief woord noemen we:

(a)  

19.

Die verkiezing was een echte vleeskeuring.

Bovenstaande zin is een voorbeeld van:

a)

Eufemisme

b)

Dysfemisme

20.

Zij is zo sloom als een slak.

Bovenstaande zin is een voorbeeld van een;

a)

Eufemisme

b)

Dysfemisme

21.

Wanneer je een oordeel hebt over een groep mensen die niet overeenkomt met de werkelijkheid, spreek je over een:

(a)  

22.

Wanneer je mensen anders behandelt omwille van een vooroordeel of een stereotype, spreken we over:

(a)  

23.

Wanneer ik een e-mail naar mijn directeur start met 'Heykes', loopt welk aspect van de boodschap mis?

a)

Het zakelijke aspect

b)

Het relationele aspect

24.

Een mail naar de directeur schrijf je in de volgende stijl:

a)

Formeel

b)

Informeel

25.

Als het relationele en het zakelijke aspect van een e-mail niet overeenkomen, spreken we over een...

(a)  

26.

Een personage in een verhaal dat geen tekst heeft en ook niet zo belangrijk is voor het verdere verloop, noemen we een...

(a)  

27.

De persoon die het hoofdpersonage in het verhaal tegenwerkt, noemen we een ...

a)

Protagonist

b)

Antagonist

c)

Nevenfiguur

d)

Figurant

28.

Wanneer een acteur steeds in dezelfde soort rol wordt gecast, spreken we over ...

(a)  

29.

Ik ben schrijver van een boek en wil ervoor zorgen dat mijn protagonist een evolutie doormaakt. Ik spreek dan over ...

a)

Een vol karakter

b)

Een vlak karakter

c)

Een antiheld

30.

De taal die ik hoor te gebruiken op school noemen we ...

a)

Standaardnederlands

b)

Tussentaal

c)

Dialect

31.

De taal die ik hoor wanneer ik twee oudere mensen op straat tegen elkaar hoor spreken, noemen we ...

a)

Standaardnederlands

b)

Tussentaal

c)

Dialect

32.

'de bloemetjes buitenzetten' is een ...

a)

Spreekwoord

b)

Uitdrukking

c)

Gezegde

33.

'met hart en ziel' is een

a)

Spreekwoord

b)

Uitdrukking

c)

Gezegde

34.

'De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.' is een ...

a)

Spreekwoord

b)

Uitdrukking

c)

Gezegde

35.

'een koekje van eigen deeg' is een ...

a)

Spreekwoord

b)

Uitdrukking

c)

Gezegde

36.

Wanneer iemand 'naast zijn schoenen loopt' wil dat zeggen:

a)

Dat hij/zij nieuwe schoenen moet kopen.

b)

Dat hij/zij zich beter voordoet dan hij is.

c)

Dat hij/zij zich gedraagt alsof hij dom is.

37.

Welk stijlfiguur werd gebruikt in deze boektitel?

a)

Alliteratie

b)

Tegenstelling

c)

Vergelijking

d)

Hyperbool

38.

Welk stijlfiguur werd gebruikt in deze titel:

a)

Alliteratie

b)

Vergelijking

c)

Hyperbool

d)

Metafoor

39.

Welk stijlfiguur werd gebruikt bij volgende boektitel:

a)

Metafoor

b)

Tegenstelling

c)

Vergelijking

d)

Hyperbool

40.

Ongeschreven richtlijnen voor ons gedrag (voornamelijk taalgebruik) op het internet noemen we ...

(a)