wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindquiz Human Body 1A

Total questions: 73

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Waar begint de vertering van voedsel?

a)

in de maag

b)

in de mond

c)

in de dunne dam

d)

in de slokdarm

2.

Wat doet speeksel tijdens de spijsvertering?

a)

het breekt vet af

b)

het doodt bacteriën

c)

het breekt zetmeel af

d)

het maakt het voedsel zuur

3.

Wat gebeurt er in de maag?

a)

zetmeel wordt afgebroken

b)

voedsel wordt fijngemalen en gemengd met maagsap

c)

water wordt opgenomen

d)

de vertering stopt tijdelijk

4.

Wat is de functie van de slokdarm?

a)

voedsel afbreken

b)

voedsel opslaan

c)

voedsel van de mond naar de maag vervoeren

d)

voedingsstoffen opnemen

5.

Wat doet de dunne darm?

a)

voedsel opslaan

b)

voedingsstoffen opnemen in het bloed

c)

zetmeel afbreken

d)

water toevoegen aan voedsel

6.

Wat is de functie van gal dat door de lever wordt geproduceerd?

a)

vetten splitsen in kleine vetdruppels

b)

suikers opnemen

c)

eiwitten afbreken

d)

vitamines produceren

7.

Waarom is de oppervlakte van de dunne darm zo groot?

a)

Om voedsel langer vast te houden

b)
  • Om meer voedingsstoffen op te nemen

c)

Om meer speeksel aan het voedsel toe te voegen

d)

Om water op te nemen

8.

Waar wordt water opgenomen tijdens de spijsvertering?

a)

In de maag

b)

In de slokdarm

c)

In de dikke darm

d)

In de dunne darm

9.

Waar eindigt de vertering?

a)

in de dunne darm

b)

in de dikke endeldarm

c)

in de slokdarm

d)

in de lever

10.

Wat is de belangrijkste functie van het spijsverteringsstelsel?

a)

Voedingsstoffen verkleinen

b)

Voedsel opslaan

c)

Zuurstof opnemen

d)

Bloed rondpompen

11.

Waarom is kauwen belangrijk voor de spijsvertering?

a)

Het maakt voedsel kleiner, zodat enzymen beter kunnen werken

b)

Het voorkomt dat voedsel zuur wordt

c)

Het helpt om water toe te voegen aan het voedsel

d)

Het verwarmt het voedsel

12.

Wat gebeurt er met onverteerbare resten van voedsel?

a)

Ze worden opgenomen in de dunne darm

b)

Ze worden uitgescheiden via ontlasting of stoelgang

c)

Ze worden afgebroken door galsap

d)

Ze worden opgeslagen in de maag

13.

Wat is de belangrijkste functie van het ademhalingsstelsel?

a)

voedingsstoffen opnemen

b)

lucht opslaan

c)

bloed rondpompen

d)

zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven

14.

Hoe heet de spier die helpt bij het ademhalen?

a)

de longen

b)

het middenrif

c)

de luchtpijp

d)

de slokdarm

15.

Wat gebeurt er in de longblaasjes?

a)

voedsel wordt afgebroken

b)

lucht wordt gefilterd

c)

zuurstof wordt opgenomen in het bloed

d)

koolstofdioxide wordt opgeslagen

16.

Hoe heet de buis die lucht naar de longen brengt?

a)

luchtpijp

b)

slokdarm

c)

middenrif

d)

longzakje

17.

Wat gebeurt er met koolstofdioxide in het lichaam?

a)

Het wordt via het bloed naar de longen gebracht en uitgeademd

b)

Het wordt opgenomen in de cellen

c)

Het blijft in het lichaam opgeslagen

d)

Het wordt omgezet in zuurstof

18.

Welke volgorde is correct voor de weg van de lucht?

a)
  • Neus – luchtpijp – bronchiën – longblaasjes

b)
  • Neus – slokdarm – longen – luchtpijp

c)
  • Mond - luchtpijp - middenrif - longblaasjes

d)
  • Mond - bronchien - longblaasjes - neus

19.

Wat gebeurt er met de zuurstof die we inademen?

a)

Het wordt volledig uitgeademd

b)

Het wordt opgeslagen in de longen

c)

Het wordt gebruikt voor energieproductie in de cellen

d)

Het wordt omgezet in koolstofdioxide

20.

Wat zit er in de celkern?

a)

water en voedingsstoffen

b)

vetten

c)

bladgroenkorrels

d)

DNA

21.

De buitenste laag van een dierlijke cel heet het...

(a)  

22.

Wat is de functie van de bladgroenkorrels?

a)

Energie opslaan

b)

Fotosynthese uitvoeren om glucose te maken

c)

De cel beschermen

d)

Afvalstoffen afbreken

23.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

DNA maken

b)

Transporteren van stoffen

c)

Beschermen van de cel

d)

Energie produceren voor de cel

24.

Hoe heet de laag om een plantencel die niet bij een dierlijke cel voorkomt?



(a)  

25.

opbouw van organismen:

cel - .....???........ - orgaan - orgaanstelsel - organisme

(a)  

26.

Welke twee spijsverteringsappen komen samen in de twaalfvingerige darm?

a)

galsap en alvleessap

b)

galsap en maagsap

c)

darmsap en speeksel

d)

darmsap en alvleessap

27.

Wat is het eindproduct bij de celademhaling?

a)

water, glucose en zuurstof

b)

zuurstof, koolstofdioxide en energie

c)

koolstofdioxide, water en energie

d)

glucose, voedingsstoffen en water

28.

Wat is de belangrijkste functie van het uitscheidingsstelsel?

a)

voedingsstoffen opnemen

b)

afvalstoffen verwijderen uit het lichaam

c)

de lichaamstemperatuur regelen

d)

zuurstof transporteren

29.

Welke organen horen bij het uitscheidingsstelsel?

a)

nieren, lever, maag

b)

longen, huid, darmen

c)

nieren, huid, longen

d)

hart, nieren, luchtpijp

30.

Wat is de belangrijkste functie van de nieren?

a)

voedingsstoffen opslaan

b)

zuurstof opnemen

c)

afvalstoffen opslaan

d)

het filteren van afvalstoffen uit het bloed

31.

Waar wordt urine tijdelijk opgeslagen?

a)

in de urineblaas

b)

in het nierbekken

c)

in de urineleiders

d)

in het bloed

32.

Hoe helpt de huid bij uitscheiding?

a)

Door CO2 af te geven

b)

Door zweet te produceren waarmee afvalstoffen en zouten worden afgevoerd

c)

Door warmte vast te houden

d)

Door talg te produceren

33.

Waar gebeurt de filtering van het bloed?

a)

niermerg en nierschors

b)

nierbekken en nierschors

c)

longblaasjes en urineblaas

d)

dikke darm en nieren

34.

Wat is de belangrijkste functie van het bloedsomloopstelsel?

a)

hormonen maken

b)

afvalstoffen verwijderen uit het lichaam

c)

stoffen transporteren doorheen het lichaam

d)

rode bloedcellen maken

35.

Welk bloedvat transporteert zuurstofrijk bloed van het hart naar het lichaam?

a)

longslagader

b)

onderste holle ader

c)

bovenste holle ader

d)

aorta

36.

Wat is de functie van de haarvaten?

a)
  • Het vervoeren van bloed van het hart naar de organen

b)
  • het verwijderen van bloed uit de weefsels

c)

de bloeddruk regelen

d)

stofuitwisseling tussen bloed en cellen

37.

Welke van de volgende onderdelen bevat zuurstofarm bloed?

a)

aorta

b)

onderste holle ader

c)

longader

d)

linkerhartkamer

38.

Het bloed dat door de longslagader stroomt is ...

a)

zuurstofarm

b)

zuurstofrijk

39.

Welke cellen in het bloed zorgen voor zuurstoftransport?

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

stamcellen

40.

Wat is de rol van witte bloedcellen?

a)

zuurstof transporteren

b)

zorgen voor bloedstolling

c)

het bestrijden van infecties en ziekteverwekkers

d)

voedingsstoffen vervoeren

41.

Wat is het verschil tussen slagaders en aders?

a)

Slagaders vervoeren bloed van het hart weg, aders vervoeren bloed naar het hart

b)

Slagaders vervoeren bloed naar het hart, aders vervoeren bloed van het wart weg

c)

Slagaders bevatten zuurstofarm bloed, aders bevatten zuurstofrijk bloed

d)

Er is geen verschil tussen slagaders en aders

42.
  • "De linkerkant van het hart pompt zuurstofrijk bloed naar het lichaam."

a)

waar

b)

niet waar

43.

Deze stoffen geven energie.

a)

Bouwstoffen

b)

Beschermingsstoffen

c)

Brandstoffen

44.

Deze stoffen zorgen dat je kan groeien.

a)

Bouwstoffen

b)

Beschermingsstoffen

c)

Brandstoffen

45.

Deze stoffen beschermen tegen ziektes.

a)

Bouwstoffen

b)

Beschermingsstoffen

c)

Brandstoffen

46.

Een appel is een ...

a)

Bouwstof

b)

Voedingsmiddel

c)

Voedingsstof

d)

Beschermingsstof

47.

Een vitamine is een ...

a)

Bouwstof

b)

Voedingsmiddel

c)

Voedingsstof

d)

Brandstof

48.

Dit orgaan maakt een hele toer in je buik en haalt water uit etensresten.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Blinde darm

49.

Dit orgaan kan uitzetten en inkrimpen om voedsel te verkleinen en verteren.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Blinde darm

50.

Welk orgaan is aangeduid met een blauwe bol?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Lever

51.

Welk orgaan is aangeduid met een blauwe bol?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Lever

52.

Welk orgaan is aangeduid met een blauwe bol?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Lever

53.

Welk nummer is een rode bloedcel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

54.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

55.

Welke naam heeft nummer 3 ?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

56.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

57.

De grote bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

58.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

59.

Kijk goed naar de afbeelding. De naam van nummer 4 is

a)

aorta

b)

longader

c)

longslagader

d)

holle ader

60.

Iemand heeft een ziekte waardoor zijn rode bloedcellen helemaal niet of niet goed hun werk meer kunnen doen. Waar kan deze persoon allemaal last van hebben?

a)

niet snel moe, veel energie om dingen te doen

b)

snel moe, maar wel genoeg energie om dingen te doen.

c)

snel moe en weinig energie om dingen te doen

d)

niet snel moe, maar ook niet genoeg energie om dingen te doen.

61.

In deze afbeelding zie je het hart. Welk deel van het hart is het meest gespierd en waarom?

a)

rechterboezem, moet het bloed naar het lichaam pompen

b)

rechterkamer, moet het bloed naar de longen pompen

c)

linkerboezem, moet het bloed naar de longen pompen

d)

linkerkamer, moet het bloed naar het hele lichaam pompen

62.

De longaders zijn ...

a)

Zuurstofarm

b)

zuurstofrijk

63.

Bekijk de afbeelding hiernaast. Vergelijk de stand van het middenrif (zwartgekleurd). Welk moment geeft de inademing weer?

a)

Moment 1

b)

Moment 2

64.

Uitgeademde lucht bevat meer ..?

a)

Zuurstofgas (O2)

b)

Stikstof (N)

c)

Koolstofdioxide (CO2)

d)

Waterstof (H)

65.

Benoem cijfertje 5.

a)

Longblaasje

b)

longtak

c)

Longhaarvat

d)

longpijptak

66.

Waarvoor dienen de kraakbeenringen in je luchtpijp?

a)

om de luchtpijp open te houden

b)

om de bloedvaten stevigheid te geven

c)

om de longblaasjes te verstevigen

67.

Wat is aangeduid door nummer 3?

a)

Urinebuis

b)

Linkernier

c)

Urineblaas

d)

Urineleider

68.

Wat is aangeduid door nummer 5?

a)

Urinebuis

b)

Linkernier

c)

Urineblaas

d)

Urineleider

69.

Wat is aangeduid in het rood?

a)

Zweetklier

b)

Zweetkanaal

c)

Porie

d)

Talgklier

70.

Wat verwijderen de nieren?

a)

Water en koolstofdioxide

b)

Water en zout

c)

Water en afvalstoffen

d)

Zout en koolstofdioxide

71.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

72.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

73.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel