wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basisvaardigheden 4GL

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Redengevend

d)

Doel-middel

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

3.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

4.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Doel-middel

b)

Toelichtend

c)

Oorzakelijk

d)

Voorwaardelijk

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'samengevat'?

a)

Samenvattend

b)

Concluderend

c)

Toelichtend

d)

Opsommend

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'toch'?

a)

Tegenstellend

b)

Voorwaardelijk

c)

Opsommend

d)

Concluderend

7.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'want'?

a)

Redengevend

b)

Toelichtend

c)

Opsommend

d)

Samenvattend

8.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

9.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

10.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Overtuigen

b)

Adviseren

c)

Tot handelen aanzetten

d)

Instrueren

e)

Amuseren

11.

Wat is het tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Overtuigen

d)

Amuseren

e)

Waarschuwen

12.
De hoofdgedachte is ...
a)
Een zin met bijzaken
b)
Een zin met hoofdzaken en bijzaken
c)
Een zin waarin de belangrijkste informatie staat
d)
Een zin met de gedachten van de schrijver
13.
De hoofdgedachte vind je door ...
a)
Globaal te lezen
b)
Oriënterend te lezen
c)
Precies te lezen
14.
Hoofdzaken zijn ... 
a)
Erg belangrijk 
b)
Niet zo belangrijk om een tekst te begrijpen
15.
Hoofdzaken staan ... 
a)
In het midden van een alinea
b)
Vaak aan het begin of eind v.d. alinea
16.
Een samenvatting bestaat meestal uit ...
a)
Hoofdzaken en bijzaken
b)
Bijzaken
c)
Kernzinnen 
d)
Het onderwerp en tussenkopjes
17.

Wat is de kernzin?

Het stinkt op je kamer. Ook liggen er overal lege zakken chips en vieze was. Het wordt dus hoog tijd dat je de boel eens op gaat ruimen.

a)

1e zin

b)

2e zin

c)

3e zin

18.

Wat is de kernzin?

Morgen start ik met huiswerkcontrole. De eerste reden is dat het huiswerk slecht wordt gemaakt de laatste tijd. Een andere reden is dat velen van jullie er slecht voor staan.

a)

1e zin

b)

2e zin

c)

3e zin

19.

Wat is de kernzin?

Toch is er ook wel een positief punt te noemen. Ouderen weten zich steeds beter te redden in de digitale wereld. Dit was tien jaar geleden wel anders.

a)

1e zin

b)

2e zin

c)

3e zin

20.

Die film duurt 160 minuten.

a)

Feit

b)

Mening

21.

Dit waren de saaiste uren uit mijn leven!

a)

Feit

b)

Mening

22.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
23.
Waar vind je het onderwerp van een tekst?
a)
In het middenstuk
b)
In de eerste alinea
c)
In de inleiding
d)
In het slot
24.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

is

b)

gestopt

c)

op

d)

is gestopt

25.

Wat is van de volgende zin het onderwerp?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

De auto

b)

auto

c)

de parkeerplaats

d)

De rode auto

26.

Wat is in de volgende zin het werkwoordelijk gezegde?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

is

b)

gestopt

c)

is gestopt

d)

is op de parkeerplaats gestopt

27.

Wat is in de volgende zin het lijdend voorwerp?

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau

a)

Bram en Lisa

b)

Lisa

c)

hun moeder

d)

een cadeau

28.

Wat is in de volgende zin het meewerkend voorwerp?

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

a)

Bram en Lisa

b)

en

c)

hun moeder

d)

een cadeau

29.

Benoem uit de volgende zin het lidwoord.

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

(a)  

30.

Benoem uit de volgende zin het bezittelijk voornaamwoord.

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

(a)  

31.

Benoem uit de volgende zin één zelfstandig naamwoord.

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

(a)  

32.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

33.

Waar is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

34.

's morgens kregen de leerlingen van ors lek en linge nederlandse les van mevrouw wigmans

a)

'S morgens kregen de leerlingen van O.R.S. Lek en Linge Nederlandse les van mevrouw Wigmans

b)

's Morgens kregen de leerlingen van ors Lek en Linge Nederlandse les van mevrouw Wigmans.

c)

's Morgens kregen de leerlingen van O.R.S. Lek en Linge Nederlandse les van mevrouw Wigmans.

35.

minister president rutte tegen belgen en duitsers kom niet naar nederland

a)

Minister-president Rutte tegen Belgen en Duitsers: 'Kom niet naar Nederland!'

b)

Minister-President Rutte tegen Belgen en Duitsers: Kom niet naar Nederland!

c)

Minister president Rutte tegen belgen en duitsers: 'Kom niet naar Nederland!'

36.

Wat is het meervoud van bacterie?

a)

bacteries

b)

bacterieën

c)

bacterieeën

d)

bacteriën

37.

Wat is het meervoud van baby?

a)

babie's

b)

babys

c)

baby's

d)

babies

38.

Wat is het meervoud van perzik?

a)

perzikken

b)

perziken

c)

perziekken

39.

Wat is het meervoud van historicus?

a)

historiciën

b)

historicussen

c)

histirici

d)

historici

40.

Wanneer gebruik je een trema?

a)

Als de klemtoon op -ie valt.

b)

Als je twee woorden samenvoegt met een afkorting.

c)

Om een woord beter leesbaar te maken.

41.

Waar is een koppelteken gebruikt?

a)

acties

b)

bacteriën

c)

ex-vriendin

d)

aankoppeling

42.

welk samengestelde woord is fout?

a)

ex-echtgenoot

b)

auto-onderdeel

c)

judoöpleiding

d)

judo-opleiding

43.

Welke zin klopt het best voor deze woorden:

logé, crêpe, Çuracao, misère

a)

Op deze woorden staan trema's om een verkeerde uitspraak te voorkomen.

b)

Op deze woorden staan accenten om een verkeerde uitspraak te voorkomen.

c)

Op deze woorden staan accenten zodat je weet wat de verkeerde uitspraak is.

d)

Op deze woorden staan trema's omdat ze uit andere talen komen.

44.

Verbeter:


Jullie hebben het terrein slecht ...........verdedigen

a)

verdedigt

b)

verdedigdt

c)

verdedigen

d)

verdedigd

45.

Verbeter:

Worden......... je niet gek van die herrie? PV TT

a)

Word

b)

wordt

c)

wort

d)

werd

46.
Ze hebben met het computerspel .......spelen
a)
gespeelt
b)
gespeeld
c)
gespeeldt
d)
gespelen
47.
Vroeger ..........onthoofden de beulen de misdadigers
a)
onthoofden
b)
onthoofdten
c)
onthoven
d)
onthoofdden
48.
Over een paar jaar ........vinden je hier een nieuwe woonwijk
a)
vond
b)
vind
c)
vindt
d)
vint
49.
Hij .........worden vandaag een stuk rijker
a)
wort
b)
word
c)
worden
d)
wordt
50.

Heb jij dit formulier aangekruis..........

a)

d

b)

t

c)

dt

d)

ten