wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE regeling en Zintuigen check

Total questions: 36

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Bestaat uit de grote hersenen, de kleine hersenen de hersenstam en het ruggenmerg

(a)  

2.

Cel die impulsen geleidt van het centrale zenuwstelsel naar een spier of klier

(a)  

3.

Zenuw die uitlopers van de gevoelszenuwcellen en de bewegingszenuwcellen bevat

(a)  

4.

cel die impulsen geleidt binnen het centrale zenuwstelsel

(a)  

5.

Verdikking met de cellichamen van de gevoelszenuwcellen

(a)  

6.

Stofje dat in de hersenen wordt gemaakt en je en goed gevoel geeft.

a)

Trippers

b)

Dopamine

c)

stimulerende middelen

d)

verdovende middelen

7.

Middelen die de waarnemingen verstoren.

a)

Trippers

b)

Dopamine

c)

stimulerende middelen

d)

verdovende middelen

8.

middelen die je een ontspannen, rustig en blij gevoel geven.

a)

Trippers

b)

Dopamine

c)

stimulerende middelen

d)

verdovende middelen

9.

middelen die je het gevoel geven van meer energie en zelfvertrouwen.

a)

Trippers

b)

Dopamine

c)

stimulerende middelen

d)

verdovende middelen

10.

Reactie waarbij de impulsen altijd via de hersenen verlopen

(a)  

11.

een vaste, snelle, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel

(a)  

12.

Weg die impulsen bij een reflex afleggen

(a)  

13.

Hormoon dat de glucosespiegel in het bloed snel verhoogt en de hartslag en ademhaling versnelt.

a)

Adrealine

b)

Glucagon

c)

Glycogeen

d)

Insuline

14.

Hormoon dat de reservestof glycogeen wordt omgezet in glucose

a)

Adrealine

b)

Glucagon

c)

Glycogeen

d)

Insuline

15.

Reservestof die wordt opgeslagen in de lever en spieren.

a)

Adrealine

b)

Glucagon

c)

Glycogeen

d)

Insuline

16.

Hormoon dat ervoor zorgt dat glucose wordt omgezet in de reserve stof glycogeen

a)

Adrealine

b)

Glucagon

c)

Glycogeen

d)

Insuline

17.

Orgaan dat verteringssappen en de hormonen insuline en glucagon produceert

a)

Alvleesklier

b)

Eilandjes van langerhans

c)

Hypofyse

d)

Schildklier

18.

Groepjes cellen in de alvleesklier die hormonen voor de bloedsuikerregulatie maken.

a)

Alvleesklier

b)

Eilandjes van langerhans

c)

Hypofyse

d)

Schildklier

19.

hormoonklier aan de onderzijde van de hersenen die verschillende hormonen produceert.

a)

Alvleesklier

b)

Eilandjes van langerhans

c)

Hypofyse

d)

Schildklier

20.

hormoonklier in de hals, dat een hormoonproduceert die de stofwisseling, groei en ontwikkeling beïnvloedt.

a)

Alvleesklier

b)

Eilandjes van langerhans

c)

Hypofyse

d)

Schildklier

21.

Prikkel waardoor een zintuigcel speciaal gevoelig is.

(a)  

22.

De zwakste prikkel die een impuls veroorzaakt

(a)  

23.

Wanneer een zintuigcel langere tijd dezelfde prikkels ontvangt, worden er minder impulsen afgegeven.

(a)  

24.

Wanneer een zintuigcel langere tijd dezelfde prikkels ontvangt, worden er minder impulsen afgegeven.

(a)  

25.

drukzintuig

a)

huid, reageren op druk

b)

huid, reageren op lichte aanraking

c)

mond, reageren op smaak

d)

huid, reageren op temperaturen lager dan 37 graden.

26.

tastzintuig

a)

huid, reageren op druk

b)

huid, reageren op lichte aanraking

c)

mond, reageren op smaak

d)

huid, reageren op temperaturen lager dan 37 graden.

27.

smaakzintuig

a)

huid, reageren op druk

b)

huid, reageren op lichte aanraking

c)

mond, reageren op smaak

d)

huid, reageren op temperaturen lager dan 37 graden.

28.

koudezintuig

a)

huid, reageren op druk

b)

huid, reageren op lichte aanraking

c)

mond, reageren op smaak

d)

huid, reageren op temperaturen lager dan 37 graden.

29.

Welke zintuig ligt in de oren en is gevoelig voor zwaartekracht?

a)

Gehoorzintuig

b)

Drukzintuig

c)

lichtzintuig

d)

evenwichtszintuig

30.

Welk nummer geeft de blinde vlek aan

a)

1

b)

2

c)

9

d)

10

31.

Welk nummer geeft de iris aan?

a)

1

b)

2

c)

9

d)

10

32.

Welk nummer geeft de pupil aan?

a)

1

b)

2

c)

9

d)

10

33.

Welk nummer geeft de oogzenuw aan?

a)

1

b)

2

c)

9

d)

10

34.

Welk nummer zorgt voor het bewegen van het oog

a)

13

b)

8

c)

9

d)

10

35.

Welk nummer houdt stofdeeltjes en fel licht tegen?

a)

12

b)

8

c)

3

d)

10

36.

Op welke volgorde valt licht door de onderdelen.

a)

Laag van zintuigcellen, laag van zenuwcellen, hoornvlies, glasachtig lichaam

b)

hoornvlies, glasachtig lichaam, Laag van zintuigcellen, laag van zenuwcellen

c)

hoornvlies, glasachtig lichaam, Laag van zintuigcellen, laag van zenuwcellen

d)

hoornvlies, glasachtig lichaam, laag van zenuwcellen, laag van zintuigcellen