wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

eco h4 jong oud Kahoot Speltheorie en Belasting

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een dominante strategie in de speltheorie?

a)

Een strategie die altijd het beste resultaat oplevert, ongeacht de keuze van de ander

b)

Een strategie die afhankelijk is van de keuze van de ander

c)

Een strategie die alleen werkt bij volledige samenwerking

d)

Een strategie die alleen winstgevend is bij gelijke uitkomsten

2.

Wat is een gevangenendilemma?

a)

Een situatie waarin samenwerking een betere uitkomst oplevert dan egoïsme, maar mensen toch kiezen voor egoïsme

b)

Een situatie waarin samenwerking geen verschil maakt

c)

Een situatie waarin iedereen profiteert van competitie

d)

Een spel waarin beide spelers altijd dezelfde keuze maken

3.

Wat is progressieve belasting?

a)

Een systeem waarin hogere inkomens procentueel meer belasting betalen

b)

Een systeem waarin iedereen hetzelfde percentage betaalt

c)

Een belasting gebaseerd op de consumptie van goederen

d)

Een systeem waarin alleen bedrijven belasting betalen

4.

Wat is het verschil tussen belastbaar inkomen en bruto-inkomen?

a)

Belastbaar inkomen is het bruto-inkomen minus aftrekposten

b)

Bruto-inkomen is altijd lager dan belastbaar inkomen

c)

Belastbaar inkomen is inclusief heffingskortingen

d)

Er is geen verschil tussen beide

5.

Wat is heffingskorting?

a)

Een bedrag dat direct van de te betalen belasting wordt afgetrokken

b)

Een korting op de belastingtarieven

c)

Een verhoging van het belastbaar inkomen

d)

Een vast bedrag dat bovenop de belasting komt

6.

Wat is een lorenzcurve?

a)

Een grafiek die de inkomensongelijkheid in een land weergeeft

b)

Een curve die de inflatie meet

c)

Een grafiek die economische groei laat zien

d)

Een lijn die belastingheffing weergeeft

7.

Wat gebeurt er met de lorenzcurve bij 10% meer inkomen?

a)

De curve blijft hetzelfde als alle inkomens evenveel stijgen

b)

De curve buigt verder

c)

Er is geen curve meer

d)

De lijn gaat dansen.

8.

Wat gebeurt er met de lorenzcurve bij 10% meer inkomen?

a)

De curve blijft hetzelfde als alle inkomens evenveel stijgen

b)

De curve buigt verder naar binnen

c)

De curve wordt minder krom

d)

De curve verdwijnt volledig

9.

Wat is een nivellerende maatregel?

a)

Een maatregel die inkomensverschillen kleiner maakt

b)

Een maatregel die inkomensverschillen groter maakt

c)

Een belastingverlaging voor alle inkomens

d)

Een maatregel die consumptie stimuleert

10.

Wat zijn aftrekposten?

a)

Kosten die van het bruto-inkomen worden afgetrokken voor belasting

b)

Belastingen die al vooraf zijn betaald

c)

Een korting op de belasting

d)

Een vast percentage van het inkomen

11.

Wat is de consumentenprijsindex (CPI)?

a)

Een maatstaf voor de gemiddelde prijsstijging van goederen en diensten

b)

Een grafiek die inkomensongelijkheid weergeeft

c)

Een berekening van de totale belastingdruk

d)

Een index van beursprijzen

12.

Wat is moral hazard?

a)

Het risico dat mensen onverantwoordelijk gedrag vertonen omdat ze verzekerd zijn

b)

Het risico dat verzekeraars te weinig premie innen

c)

Het gevaar van inflatie door hoge premies

d)

Het risico van inkomensongelijkheid

13.

Wat is het effect van een BTW-verhoging op de CPI?

a)

De CPI stijgt door hogere prijzen van goederen en diensten

b)

De CPI daalt door lagere inkomens

c)

De CPI blijft gelijk

d)

De CPI daalt door lagere prijzen

14.

Wat is averechtse selectie?

a)

Wanneer alleen mensen met een hoog risico zich verzekeren

b)

Wanneer iedereen zich verzekert tegen lage kosten

c)

Wanneer verzekeraars lagere premies bieden

d)

Wanneer mensen zonder risico zich verzekeren

15.

Wat is het effect van eigen risico?

a)

Het verlaagt de kans op moral hazard

b)

Het verhoogt de kosten voor verzekerden

c)

Het vermindert de premie voor iedereen

d)

Het maakt verzekeringen verplicht

16.

Wat is een vrijwillig systeem?

a)

Mensen mogen zelf kiezen of ze zich willen verzekeren.

b)

Iedereen is verplicht om zich te verzekeren.

c)

De overheid betaalt alle premies voor verzekeringen.

d)

Verzekeraars moeten iedereen accepteren, ongeacht het risico.