Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eiwitten - NLT

Total questions: 50

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

2.

Thymine vormt waterstofbruggen met:

a)

Adenine

b)

Guanine of Adenine

c)

Cytosine

d)

Adenine of Uracil

e)

Cytosine of Uracil

3.

De zijkanten van DNA zijn gemaakt van

a)

Fosfaat en deoxyribose

b)

Deoxyribose en stikstofbasen

c)

Stikstofbasen en fosfaat

d)

Deoxyribose en stikstofbasen

4.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de mitochondrium

b)

In het cytoplasma

c)

In de kern

d)

In het endoplasmatisch reticulum

5.

Het gebied op het DNA dat codeert voor het vormen van een bepaald eiwit wordt ook wel …. genoemd

a)

Chromosoom

b)

Codon

c)

DNA

d)

Gen

e)

Anticodon

6.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

7.

Bij celdeling worden de beide strengen van DNA uit elkaar getrokken door (1). Aan de primers bindt vervolgens (2)

a)

(1) Ligase, (2) DNA-polymerase

b)

(1) Helicase, (2) DNA-polymerase

c)

(1) Ligase, (2) Okazaki-fragment

d)

(1) Helicase, (2) Okazaki-fragment

8.

DNA bestaat uit de volgende onderdelen:

a)

deoxyribose

b)

ribose

c)

stikstofbasen

d)

chromosomen

e)

fosfaatgroep

9.

Een gen bevat de code voor het maken van ....

a)

Een eiwit

b)

Een ribosoom

c)

Een nucleotide

d)

Een aminozuur

10.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

11.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

12.

Welk eiwit plakt het nieuw gerepliceerde DNA keten aan de oude DNA keten?

a)

Helicase

b)

Ligase

c)

DNA- polymerase

d)

Telomeren

13.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

het is erg klein en erg ingewikkeld

b)

het zit in alles

c)

het dient als de blauwdruk (blue-print) voor eigenschappen van alle levende wezens

d)

omdat we het elke dag eten voor energie

14.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
15.

De suiker in DNA is ?

a)
sucrose
b)
glucose
c)
deoxyribose
d)
fructose
16.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
17.

Waarom repliceert DNA?

a)

Een nieuwe kopie maken voor de nieuwe cel

b)

Een duplicaat maken voor het geval het origineel beschadigd raakt

c)

Een nieuwe kopie maken om het beschadigde origineel te vervangen

18.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

19.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
20.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

21.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

22.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

23.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

24.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

25.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

26.

Wat is de rol van het ER (endoplasmatisch reticulum) bij de eiwitsynthese?

a)

Maken van eiwit

b)

Vouwen en vervoeren van eiwit

c)

Aflezen van DNA-code

d)

Exocytose

27.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

28.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

29.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een ______________(1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan ___________(2)

a)

(1) repressor, (2) blokkeren

b)

(1) repressor, (2) stimuleren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

30.

Welke mutatie is hier opgetreden?

T-G-A-C-C-A

T-G-A-G-C-A

a)

Vervanging

b)

Verwijdering

c)

Invoeging

31.

Wat is biotechnologie?

a)

Nuttige producten maken door gebruik te maken van levende systemen en organismen

b)

Een gebied van biotechnologie dat is gecentreerd rond het gebruik van DNA.

c)

Het doel om een ​​genetische kopie van een heel organisme te reproduceren.

32.

Een organisme waarvan het DNA is aangepast?

a)

Transgeen

b)

Genetische gemodificeerde organisme (GMO)

c)

Human Genome Project

d)

DNA fingerprinting

33.

Tegenwoordig zijn er veel meer organismen bekend die genen van andere soorten bevatten. Het zijn onder andere de door de mens genetisch gemodificeerde organismen. Welke term wordt in de biologie gebruikt om een genetisch gemodificeerd organisme aan te duiden?

a)

Heterozygoot

b)

Kloon

c)

Mutant

d)

Transgeen

34.

DNA bestaat uit de volgende onderdelen:

a)

deoxyribose

b)

ribose

c)

stikstofbasen

d)

chromosomen

e)

fosfaatgroep

35.

Wat is nummer 2?

a)

het endoplasmatisch reticulum

b)

de ribosomen

c)

de celkern

d)

het kernmembraan

36.

Welk enzym vertoont de grootste enzymactiviteit?

a)

X

b)

Y

c)

Z

37.

Vanaf welke temperatuur gaat enzym X denatureren?

a)

0 graden

b)

2 graden

c)

11 graden

d)

23 graden

e)

31 graden

38.

Welk enzym vertoont de grootste activiteit bij 40 graden?

a)

X

b)

Y

c)

Z

39.

Vanaf welke temperatuur zijn alle enzymen Y gedenatureerd?

a)

43 graden

b)

12 graden

c)

30 graden

d)

60 graden

40.

Welk of welke enzymen kunnen worden opgewarmd tot 45 graden, vervolgens worden afgekoeld en werken daarna nog steeds?

a)

X

b)

Y

c)

Z

d)

Y en Z

e)

X, Y en Z

41.

Boven de 32 graden vertoont enzym Y geen activiteit meer.

a)

Waar

b)

Niet waar

42.

De optimimumtemperatuur van enzym Z is 56 graden.

a)

Waar

b)

Niet waar

43.

Tussen de 35 en 55 graden gaat enzym Z sneller werken, doordat moleculen sneller botsen bij een hogere temperatuur?

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Enzym X, Y en Z kunnen werkzaam zijn in hetzelfde organisme.

a)

Waar

b)

Niet waar

45.

Bij 37 graden zijn er meer enzymen Z dan enzymen Y gedenatureerd.

a)

Waar

b)

Niet waar

46.

Bij 20 graden zet elk intact enzym X meer stoffen om dan elk intact enzym van Y.

a)

Waar

b)

Niet waar

47.

Enzym X heeft de grootste tolerantie voor temperatuur.

a)

Waar

b)

Nier waar

48.

Welke uitspraak over het afgebeelde molecuul is onjuist?

a)

het is een dipeptide

b)

het molecuul is Gly-Ala

c)

het molecuul is Ala-Gly

49.

De aminozuurvolgorde in een eiwit behoort tot de .... structuur

a)

primaire structuur

b)

secundaire structuur

c)

tertiaire structuur

d)

quartenaire structuur

50.

Het weergegeven tripeptide is weer te geven als:

a)

Val-Gly-Ala

b)

Val-Ala-Gly

c)

Val-Gly-Thr

d)

Val-Gly-Asp