NEW
Font size
Worksheetspersoonsvorm
Total questions: 53
Worksheet time: 37mins
Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.
Mijn vader
viert
zijn
morgen
Wat is de pv: Wat is jouw naam?
Wat
is
jouw
naam
Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?
Hebben
jullie
pepernoten
gegeten
Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.
Ik
help
jou
op vrijdag
Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet
hebben
gezet
Ze
de fiets
Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.
mijn best
toetsen
doe
Ik
Wat is de pv: Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?
de honden
vandaag
nog
Ga
Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?
Wie
brengt
de post
de brievenbus
Wat is de pv: Deze moeilijke zin is bijna niet te doen.
Deze moeilijke zin
is
bijna
niet te doen
Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?
krom
zijn
bananen
Waarom
Wat is de pv: De Kidsweek ligt te wachten in de klas.
ligt
de Kidsweek
te wachten
de klas
Wat is de pv: Wij zijn op tijd naar huis gegaan.
naar huis
wij
gegaan
zijn
Wat is de pv: Gisteren overstroomde de rivier compleet.
gisteren
de rivier
compleet
overstroomde
Wat is de pv: Volgende week ga ik met mijn vriendin naar de bios.
ga
ik
mijn vriendin
week
Wat is de pv: Bij biologie zitten we op de eerste rij.
we
biologie
zitten
rij
Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.
ik
wil kijken
wil
in de klas
Wat is de pv: Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.
het snoer
ik
ben
ben gestruikeld
Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?
Waarom
schoenveter
gaat
gaat los
Wat is de pv: Daisy gaat iets aardigs zeggen.
Daisy
zeggen
aardigs
gaat
Wat is de pv: In deze nieuwe zaak verkopen ze glitterlijm en kneedgum.
glitterlijm
verkopen
deze
kneedgum
Jantje loopt op straat.
Jantje
Loopt
Op straat
Geen idee
De hond van de buren blaft de hele dag.
De hond van de buren
De hele dag
Blaft
Geen diee
De lange jongen heeft gisteren het kleine meisje gekust.
De lange jongen
Gisteren
Het kleine meisje
heeft
Gekust
Waarom loopt de buurjongen altijd buiten in zijn korte broek?
Waarom
Buiten
De buurjongen
Loopt
In zijn korte broek
De persoonsvorm staat in een vraagzin meestal vooraan.
Staat
De persoonsvorm
In een vraagzin
meestal
Vooraan
In deze klas zitten best wel een paar bijzondere kinderen.
In deze klas
Best wel een paar
Bijzondere kinderen
Zitten
Het is niet lastig om de persoonsvorm te vinden.
Niet lastig
De persoonsvorm
te vinden
Is
Je moet altijd goed je best doen in de les bij mevrouw Verhaar.
Je
Je best
Doen
Moet
Bij mevrouw Verhaar
In de winter vind ik het veel te koud buiten.
In de winter
Vind
Ik
Veel te koud
Deze toets heeft maar tien vragen.
Heeft
Deze toets
Maar tien vragen
Kopen. Hij.......
Koop
Kopen
Koopt
Koopd
Drinken. Wij....
drinken
drinkt
drinkd
drink
Zwaaien. Piet....
zwaait
zwaaien
zwaai
zwaaid
Zwemmen. ....jij?
Zwemt
Zwemmen
Zwem
Zwemde
Snorkelen. Lois......
snorkelt
snorkelen
snorkeld
snorkel
Duiken. Kiki....
duiken
duik
duikt
duikd
Zingen. Mijn vader....
zingt
zingd
zingen
zing
Remmen. ......de auto?
Rem
Remmen
Remd
Remt
Schrijven. De leraar ......
schrijven
schrijft
schrijfde
schrijf
Veranderen. .......jij?
Verandert
Veranderen
Veranderd
Verander
Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.
Rijden
Mijn opa van 85 ....nog steeds in zijn auto
rijden
rijdt
rijd
rijdden
Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.
branden
De ober .....zijn vingers aan de gloeiend hete tosti.
branden
brand
brandt
brandden
Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.
raden
Welke deelnemer.....het goede antwoord?
raadt
raad
raden
radden
Sandra ... (spreken) heel goed Engels.
spreek
spreekt
spreken
U ... (studeren) sociologie.
studeren
studeer
studeert
Mijn oom en tante ... (wonen) in Amsterdam.
wonen
woont
woon
Ik ... (schrijven) een brief.
schrijft
schrijf
schrijven
De studenten ... (zitten) in de kantine.
zit
zite
zitten
Amsterdam ... (zijn) de hoofdstad van Nederland.
zijn
ben
is
We ... (drinken) koffie in de cafe.
drinken
drink
drinkt
Tom ... (eten) een appel.
eet
eten
eete
Mijn moeder ... (komen) uit Spanje.
kom
komen
komt
Maria ...(lezen) een boek.
lees
leest
lezen
