wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

persoonsvorm

Total questions: 53

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

2.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

3.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

4.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

5.

Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets

6.

Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

7.

Wat is de pv: Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?

a)

de honden

b)

vandaag

c)

nog

d)

Ga

8.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

9.

Wat is de pv: Deze moeilijke zin is bijna niet te doen.

a)

Deze moeilijke zin

b)

is

c)

bijna

d)

niet te doen

10.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

11.

Wat is de pv: De Kidsweek ligt te wachten in de klas.

a)

ligt

b)

de Kidsweek

c)

te wachten

d)

de klas

12.

Wat is de pv: Wij zijn op tijd naar huis gegaan.

a)

naar huis

b)

wij

c)

gegaan

d)

zijn

13.

Wat is de pv: Gisteren overstroomde de rivier compleet.

a)

gisteren

b)

de rivier

c)

compleet

d)

overstroomde

14.

Wat is de pv: Volgende week ga ik met mijn vriendin naar de bios.

a)

ga

b)

ik

c)

mijn vriendin

d)

week

15.

Wat is de pv: Bij biologie zitten we op de eerste rij.

a)

we

b)

biologie

c)

zitten

d)

rij

16.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

17.

Wat is de pv: Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.

a)

het snoer

b)

ik

c)

ben

d)

ben gestruikeld

18.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

19.

Wat is de pv: Daisy gaat iets aardigs zeggen.

a)

Daisy

b)

zeggen

c)

aardigs

d)

gaat

20.

Wat is de pv: In deze nieuwe zaak verkopen ze glitterlijm en kneedgum.

a)

glitterlijm

b)

verkopen

c)

deze

d)

kneedgum

21.

Jantje loopt op straat.

a)

Jantje

b)

Loopt

c)

Op straat

d)

Geen idee

22.

De hond van de buren blaft de hele dag.

a)

De hond van de buren

b)

De hele dag

c)

Blaft

d)

Geen diee

23.

De lange jongen heeft gisteren het kleine meisje gekust.

a)

De lange jongen

b)

Gisteren

c)

Het kleine meisje

d)

heeft

e)

Gekust

24.

Waarom loopt de buurjongen altijd buiten in zijn korte broek?

a)

Waarom

b)

Buiten

c)

De buurjongen

d)

Loopt

e)

In zijn korte broek

25.

De persoonsvorm staat in een vraagzin meestal vooraan.

a)

Staat

b)

De persoonsvorm

c)

In een vraagzin

d)

meestal

e)

Vooraan

26.

In deze klas zitten best wel een paar bijzondere kinderen.

a)

In deze klas

b)

Best wel een paar

c)

Bijzondere kinderen

d)

Zitten

27.

Het is niet lastig om de persoonsvorm te vinden.

a)

Niet lastig

b)

De persoonsvorm

c)

te vinden

d)

Is

28.

Je moet altijd goed je best doen in de les bij mevrouw Verhaar.

a)

Je

b)

Je best

c)

Doen

d)

Moet

e)

Bij mevrouw Verhaar

29.

In de winter vind ik het veel te koud buiten.

a)

In de winter

b)

Vind

c)

Ik

d)

Veel te koud

30.

Deze toets heeft maar tien vragen.

a)

Heeft

b)

Deze toets

c)

Maar tien vragen

31.

Kopen. Hij.......

a)

Koop

b)

Kopen

c)

Koopt

d)

Koopd

32.

Drinken. Wij....

a)

drinken

b)

drinkt

c)

drinkd

d)

drink

33.

Zwaaien. Piet....

a)

zwaait

b)

zwaaien

c)

zwaai

d)

zwaaid

34.

Zwemmen. ....jij?

a)

Zwemt

b)

Zwemmen

c)

Zwem

d)

Zwemde

35.

Snorkelen. Lois......

a)

snorkelt

b)

snorkelen

c)

snorkeld

d)

snorkel

36.

Duiken. Kiki....

a)

duiken

b)

duik

c)

duikt

d)

duikd

37.

Zingen. Mijn vader....

a)

zingt

b)

zingd

c)

zingen

d)

zing

38.

Remmen. ......de auto?

a)

Rem

b)

Remmen

c)

Remd

d)

Remt

39.

Schrijven. De leraar ......

a)

schrijven

b)

schrijft

c)

schrijfde

d)

schrijf

40.

Veranderen. .......jij?

a)

Verandert

b)

Veranderen

c)

Veranderd

d)

Verander

41.

Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.

Rijden

Mijn opa van 85 ....nog steeds in zijn auto

a)

rijden

b)

rijdt

c)

rijd

d)

rijdden

42.

Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.

branden

De ober .....zijn vingers aan de gloeiend hete tosti.

a)

branden

b)

brand

c)

brandt

d)

brandden

43.

Noteer de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Gebruik lopen om te horen of je een - t moet noteren.

raden

Welke deelnemer.....het goede antwoord?

a)

raadt

b)

raad

c)

raden

d)

radden

44.

Sandra ... (spreken) heel goed Engels.

a)

spreek

b)

spreekt

c)

spreken

45.

U ... (studeren) sociologie.

a)

studeren

b)

studeer

c)

studeert

46.

Mijn oom en tante ... (wonen) in Amsterdam.

a)

wonen

b)

woont

c)

woon

47.

Ik ... (schrijven) een brief.

a)

schrijft

b)

schrijf

c)

schrijven

48.

De studenten ... (zitten) in de kantine.

a)

zit

b)

zite

c)

zitten

49.

Amsterdam ... (zijn) de hoofdstad van Nederland.

a)

zijn

b)

ben

c)

is

50.

We ... (drinken) koffie in de cafe.

a)

drinken

b)

drink

c)

drinkt

51.

Tom ... (eten) een appel.

a)

eet

b)

eten

c)

eete

52.

Mijn moeder ... (komen) uit Spanje.

a)

kom

b)

komen

c)

komt

53.

Maria ...(lezen) een boek.

a)

lees

b)

leest

c)

lezen