wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

waarnemen

Total questions: 152

Worksheet time: 2hrs 33mins

Name
Class
Date
1.

Wat is nummer 6?

a)

Lens

b)

Blinde vlek

c)

Hoornvlies

d)

Gele vlek

2.

Met deze vlek kun je niets zien.

a)

Lege vlek

b)

Zenuw vlek

c)

Gele vlek

d)

Blinde vlek

3.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
4.

Waar in het oog liggen de zintuigcellen?

a)

Op het harde oogvlies

b)

Op het vaatvlies

c)

Op het netvlies

d)

Op de iris

5.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
6.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 1? 
a)
lens
b)
hoornvlies
c)
harde oogrok
7.

bevat veel bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen.

a)

het harde oogvlies

b)

hoornvlies

c)

netvlies

d)

vaatvlies

8.

Geeft impulsen van het oog door naar de hersenen

a)

de blinde vlek

b)

de gele vlek

c)

de oogzenuw

d)

de ooglens

9.

Bij mechanische receptoren wordt het celmembraan gebogen waardoor een impuls ontstaat

a)

juist

b)

onjuist

10.

Een voorbeeld van een interne prikkel is honger

a)

juist

b)

onjuist

11.

je reukzintuig bestaat uit mechanische receptoren

a)

juist

b)

onjuist

12.
Als de lensbandjes zijn ontspannen dan is de ooglens:
a)
Bol
b)
Plat
c)
Dat is niet te zeggen.
13.
In welke volgorde komt het licht je oog binnen?
a)
hoornvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
b)
harde oogvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
c)
harde oogvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
d)
hoornvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
14.

Als je iets dichtbij wilt zien moet de lens boller zijn dan voor iets verder weg.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accommoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
16.

Is deze persoon verziend of bijziend?

a)

Verziend

b)

Bijziend

17.

Wat is de juiste route die de trillingen afleggen om in de hersenen te komen?

a)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

b)

Gehoorgang-gehoorbeentjes-trommelvlies-slakkenhuis-oorzenuw

c)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-oorzenuw-slakkenhuis

18.

wat is de functie van de buis van Eustachius?

a)

het verder vervoeren van geluidstrillingen

b)

afvoeren van overtollig oorsmeer

c)

afvoeren van binnendringende stofdeeltjes

d)

het gelijk houden van luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies

19.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)

Keelholte

b)

Buis van Eustachius

c)

Trommelholte

d)

Gehoorgang

20.

Ontstaan er bij de situatie zoals in dit plaatje impulsen?

a)

Ja

b)

Nee

21.

Welk deel van het zenuwstelsel zie je hier?

a)

Perifeer zenuwstelsel

b)

Centraal zenuwstelsel

22.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

23.

Selecteer de delen van het centraal zenuwstelsel.

a)

hersenen

b)

ruggenmerg

c)

zenuwen

d)

zintuigen

24.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

25.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

'De ogen beschermen tegen uitdroging'

Deze functie hoort bij:

a)

Wenkbrauwen

b)

Wimpers

c)

Oogleden

d)

Traanvocht

e)

Traanbuizen

27.

Welk nummer geeft het deel aan van het oog waarin zich de zintuigcellen van het oog bevinden

a)

6

b)

7

c)

8

d)

9

28.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (=reflex)?

a)

bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

29.

Waarom reageren mensen en dieren op hun omgeving?

a)
Om te ontspannen en plezier te hebben.
b)
Omdat ze nieuwsgierig zijn naar nieuwe dingen.
c)
Om te overleven en zich aan te passen aan veranderingen in hun omgeving.
d)

Om aandacht te krijgen.

30.

Welke van de volgende is geen reden waarom we reageren op veranderingen in onze omgeving?

a)

Om voedsel te vinden

b)

Om gevaar te ontwijken

c)

Om onze slaap te verlengen

d)

Om een partner te vinden

31.

Wat is de beste omschrijving van 'gedrag' in de biologie?

a)

Alles wat een organisme doet.

b)

Alleen de bewuste acties van een organisme.

c)

De manier waarop een organisme reageert op prikkels.

d)

De manier waarop een organisme eruitziet.

32.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

33.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

34.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

35.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

36.

Welke van de volgende is geen voorbeeld van gedrag?

a)

Een vogel die zingt.

b)
  • Mensen die Sinterklaas vieren.

c)
  • Een steen die valt.

d)
  • Een hond die met zijn staart kwispelt.

37.

Welke rol spelen de hersenen bij gedrag?

a)
  • Ze slaan herinneringen op.

b)
  • Ze verwerken informatie uit de omgeving.

c)
  • Ze sturen spieren aan.

d)
  • Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

38.

Welk van de volgende is een voorbeeld van bewust gedrag?

a)
  • Knipperen met je ogen als er iets in komt.

b)
  • Beslissen wat je wilt eten.

c)
  • Je hart laten kloppen.

d)
  • Je adem automatisch halen.

39.

Geef aan of het gedrag bewust of onbewust is.

Je krijgt kippenvel en de haren op je arm gaan overeind staan.

a)

Bewust

b)

Onbewust

c)

Beide

40.

Geef aan of het gedrag bewust of onbewust is.

Je vangt een bal.

a)

Bewust

b)

Onbewust

c)

Beide

41.

Wat is een voorbeeld van groepsdruk?

a)
Een groep vrienden die samen een film kijkt.
b)
Een vriendengroep die iemand onder druk zet om te roken.
c)
Een team dat samenwerkt aan een schoolproject.
d)
Een klas die samen een sportwedstrijd speelt.
42.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

43.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
44.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

45.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

46.

Met welke kleur is het centraal zenuwstelsel aangegeven?

a)

Paars

b)

Groen

47.
Uit welke delen bestaat ons zenuwstelsel?
a)
Zenuwen en hersenen
b)
Centraal zenuwstelsel
c)
Zenuwen en centraal zenuwstelsel
d)
Zenuwen en zenuwcellen
48.

Selecteer de onderdelen van het zenuwstelsel.

a)

hersenen

b)

ruggenmerg

c)

zenuwen

d)

zintuigen

49.

Gebruik je zenuwen bij het betalen van je boodschappen?

a)

ja

b)

nee

50.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
51.

Nummer 10 is ?

(a)  

52.

Nummer 4 is?

(a)  

53.

Nummer 6, 7 en 8 zijn samen de?

a)

Gehoorgang

b)

Oorschelp

c)

Gehoorbeentjes

d)

Gehoorzenuw

54.

De zintuigcellen zitten in ?

a)

Trommelholte

b)

Trommelvlies

c)

Slakkenhuis

d)

Gehoorgang

55.

De zintuigcellen zetten de prikkel (trillingen) om in een?

(a)  

56.

De impulsen gaan naar de hersenen via?

a)

Trillingen

b)

Zenuwen

c)

Huid

d)

Evenwichtsorgaan

57.

Het trommelvlies geeft de trillingen door aan?

a)

Evenwichtsorgaan

b)

Gehoorgang

c)

Slakkenhuis

d)

Gehoorbeentjes

58.

De gehoorbeentjes geven de trillingen door aan/

a)

Trommelvlies

b)

Slakkenhuis

c)

Gehoorgang

d)

Oorsmeerkliertjes

59.

Wat is de juiste volgorde ?

a)

Zintuig- Prikkel- Impuls- Hersenen- Zenuw- Waarnemen

b)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

c)

Impuls- Zintuig- Prikkel- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

d)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Waarnemen- Hersenen

60.

Zie je op het plaatje een prikkel of impuls?

a)

Impuls

b)

Prikkel

61.

Welke zintuigcellen liggen in de huid?

a)

Warmtezintuigjes

b)

Tastzintuigjes

c)

Gezichtszintuigjes

d)

Gehoorzintuigjes

e)

Pijnzintuigjes

62.

Welke prikkel hoort bij de neus?

a)

Geluid

b)

Licht

c)

Geur

d)

Smaak

e)

Druk

63.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
64.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
65.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
66.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
67.

Wat is een zintuig?

a)

Je oor

b)

Een orgaan wat ergens zin in heeft

c)

Een orgaan wat reageert op veranderingen in de omgeving

d)

Je voet

68.

Wat ontstaat in de zintuigcellen als ze een prikkel hebben opgevangen?

a)

Een impuls

b)

Niets

c)

Een nieuwe prikkel

d)

Een geluid

69.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

70.

Wat is onderdeel 3?

(a)  

71.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

72.

Wat is onderdeel 5?

(a)  

73.

Wat is onderdeel 10?

(a)  

74.

Wat is onderdeel 11?

(a)  

75.

Wat is onderdeel 13?

(a)  

76.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

77.

Welk onderdeel heeft als taak: Beschermen tegen ziekteverwekkers en uitdroging.

a)

12

b)

9

c)

8

d)

2

e)

3

78.

Welk onderdeel heeft als taak: Tastprikkels omzetten tot impulsen?

a)

12

b)

9

c)

8

d)

2

e)

3

79.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Bestaat uit dode huidcellen.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

80.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Bevat de zintuigjes, zweetklieren, talgkliertjes, etc.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

81.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Hier worden constant nieuwe huidcellen gevormd.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

82.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Beschermlaag bestaande uit de hoornlaag en kiemlaag.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

83.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

84.

Wanneer een persoon het KOUD heeft en op wilt warmen...

a)

Worden de bloedvaten nauwer

b)

Worden de bloedvaten wijder

c)

Wordt de zweetklier actief

d)

Gaan de haartjes rechtop staan

85.

Wanneer een persoon het WARM heeft en op wilt afkoelen...

a)

Worden de bloedvaten nauwer

b)

Worden de bloedvaten wijder

c)

Wordt de zweetklier actief

d)

Gaan de haartjes rechtop staan

86.

Door deze opening komt het licht het oog verder binnen.

a)

door het harde oogvlies

b)

door de pupil

c)

door de ooglens

d)

door het glasachtig lichaam

87.

De plaats in het netvlies waarmee je het scherpst ziet.

a)

het netvlies

b)

de blinde vlek

c)

de gele vlek

d)

ooglens

88.

bevat veel bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen.

a)

het harde oogvlies

b)

hoornvlies

c)

netvlies

d)

vaatvlies

89.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

90.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

91.

Wat is onderdeel 3?

(a)  

92.

Wat is onderdeel 7?

(a)  

93.

Welk onderdeel heeft als functie: Impulsen maken?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

94.

Welk onderdeel heeft als functie: Impulsen doorsturen naar de hersenen?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

95.

Welk onderdeel heeft als functie: luchtdruk binnen het oor gelijk maken aan buiten het oor?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

96.

Welk onderdeel heeft als functie: luchtdruk binnen het oor gelijk maken aan buiten het oor?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

97.

Welk onderdeel heeft als functie: Smeer aanmaken om het trommelvlies soepel te houden?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

98.

Via welke weg wordt een geluidsprikkel omgezet tot een impuls dat naar de hersenen gaat?

a)

Oorschelp -> Gehoorgang -> Trommelvlies -> Gehoorbeentjes -> Slakkenhuis -> Gehoorzenuw

b)

Gehoorgang -> Trommelvlies -> Gehoorbeentjes -> slakkenhuis -> Buis van Eustachius

c)

Oorschelp -> Gehoorgang -> Gehoorbeentjes -> Slakkenhuis -> Gehoorzenuw

d)

Oorschelp -> Trommelvlies -> Gehoorgang -> Gehoorbeentjes -> Gehoorzenuw

99.

Waar zorgt de wenkbrauw voor?

a)

Dat er geen vliegen in je oog komen

b)

Dat er geen zweet in je oog loopt

c)

Dat je oog schoon blijft

100.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
101.
In welke volgorde komt het licht je oog binnen?
a)
hoornvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
b)
harde oogvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
c)
harde oogvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
d)
hoornvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
102.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

103.

Wat is onderdeel 2?

(a)  

104.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

105.

Wat is onderdeel 10?

(a)  

106.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

107.

Bij welk nummer vind je de blinde vlek?

(a)  

108.

Bij welk nummer vind je de gele vlek?

(a)  

109.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
110.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
111.

Maak het schema af van prikkel tot respons

Prikkel -> Zintuig -> Impuls -> Zenuwen / Ruggemerg -> Hersenen -> .....

a)

Impuls -> Zenuwen / Ruggemerg -> Spier of klier

b)

Zenuwen / Ruggemerg -> Impuls -> Spier of klier

c)

Spier of klier -> respons

d)

Impuls -> Spier of klier

112.

'Alles wat een mens of dier doet' noemen we:

(a)  

113.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

114.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

115.

je spreekt van een gedragsketen als

a)

Er gepaard wordt

b)

een dier 2 keer dezelfde handeling verricht per minuut

c)

gedrag uit een serie vaste handelingen en vaste volgorde bestaat

d)

Als een dier in het wild ander gedrag laat zien dan in gevangenschap

116.

Niet liegen hoort bij de waarde:

a)

Gezondheid

b)

Ontspanning

c)

Eerlijkheid

d)

Respect

117.

Ouderen helpen oversteken hoort bij de waarde:

a)

Eerlijkheid

b)

Openheid

c)

Ontspanning

d)

Respect

118.

Gedragsregels waaraan veel mensen vinden dat je je eraan moet houden, zijn ...

a)

normen

b)

waarden

119.

Vrijheid is een ...

a)

Waarde

b)

Norm

120.

Bekijk het plaatje. De persoon heeft een bril nodig om in de verte scherp te zien. Dichtbij zien ze wel scherp. Deze persoon is...

a)

Bijziend

b)

Verziend

121.

Bekijk het plaatje. De persoon heeft een bril nodig om dichtbij scherp te zien. In de verte zien ze wel scherp. Deze persoon is...

a)

Bijziend

b)

Verziend

122.

Welk type glazen heeft een verziend persoon nodig?

a)

Holle (-)

b)

Bolle (+)

123.
In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:
a)
Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies
b)
Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies
c)
Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies
d)
Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam
124.

proeven doe je met

a)

je tong

b)

je neus

c)

je tong en je neus

125.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
126.
De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?
a)
ver weg
b)
dichtbij
127.
Het trommelvlies geeft de prikkel door aan de ...
a)
Gehoorgang
b)
Slakkenhuis
c)
Gehoorbeentjes
128.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Evenwichtsorgaan
c)
Gehoorbeentjes
129.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
130.
Bij welk plaatje is je oog ontspannen?
a)
A want, daar kijk je dichtbij en zijn de lensbandjes ontspannen
b)
B want, daar kijk je verweg en zijn de lensbandjes gespannen
c)
B want, daar kijk je dichtbij en zijn de lensbandjes gespannen
d)
A want, daar kijk je verweg en zijn de lensbandjes ontspannen 
131.
Wat is de functie van de buis van Eustachius?
a)
Zo kan viezigheid weg als er ziektes komen
b)
Dat is de verbinding van trommelholte met de keelholte, zo kan er lucht uit als er teveel druk op je oren zit. 
c)
Zo kan er vocht in je oor komen dat is handig want dan heeft je oor altijd genoeg vocht.
d)
Zo wordt blijft het trommelvlies soepel door aanvoering van smeer.
132.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
133.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
134.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
135.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
136.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
137.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
138.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
139.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
140.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
141.
Wat zijn adequate prikkels voor de huid?
a)
Licht, geluid, smaak, temperatuur, pijn
b)
Warmte, kou, smaak, licht, pijn
c)
Geur, pijn, tast, druk, pijn
d)
Warmte, kou, tast, druk, pijn
142.
Welk onderdeel van het oor zorgt dat de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies gelijk is?
a)
Oorschelp
b)
Buis van Eustachius
c)
Gehoorbeentjes
d)
Slakkenhuis
143.
In de kleine hersenen:
a)
vindt bewustwording plaats
b)
worden onbewuste levensprocessen geregeld
c)
regelen reflexen
d)
zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht
144.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)
Zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen
c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
145.
Een bewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
146.

Aan wat zijn zintuigcellen verbonden?

a)

prikkel

b)

impuls

c)

zenuwen

d)

hersenen

147.
Er wordt met een camera een foto gemaakt van een iris. Door het felle flitslicht trekken de kringspieren in de iris zich samen.
Verandert dan de grootte van de pupil?
a)
Nee
b)
Ja, de pupil wordt groter.
c)
Ja, de pupil wordt kleiner.
148.

Als je in de verte kijkt is je lens dan plat of bol?

a)

Plat

b)

Bol

149.

Het oog krijgt belangrijke stoffen via het..

a)

Harde oogvlies

b)

Vaatvlies

c)

Netvlies

d)

Hoornvlies

150.

Met welk deel wordt traanvocht geproduceerd?

a)

deel 2

b)

deel 6

c)

deel 1

d)

deel 4

151.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien

152.

In welke laag van de huid zitten talgklieren en zweetklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuidse bindweefsel