Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

m4 malmberg

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Intertemporele ruil is het ruilen over de tijd. Je kunt je consumptie vervroegen (lenen) of uitstellen (sparen)

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

De keuze om te gaan sparen of lenen in de levensfase is afhankelijk van:
Rente, conjuncturele situtatie, consumentenvertrouwen en inflatie.
Als de rente stijgt...

a)

Wordt de consumptie (en productie) vervroegd
- Want een hogere rente maakt sparen onaantrekkelijk en lenen goedkoop

b)

Wordt de consumptie (en productie) uitgesteld
- Want een hogere rente maakt sparen aantrekkelijker en lenen duur

3.

De keuze om te gaan sparen of lenen in de levensfase is afhankelijk van:
Rente, conjuncturele situtatie, consumentenvertrouwen en inflatie.
Als de inflatie stijgt...

a)

Wordt de consumptie (en productie) vervroegd
- Want door het stijgen van de prijzen zijn de producten in de toekomst duurder. Bovendien daalt de reële waarde van een schuld door inflatie

b)

Wordt de consumptie (en productie) uitgesteld
- Want een hoge inflatie zorgt ervoor dat producten in de toekomst goedkoper zijn.

4.

Door een hoger consumentenvertrouwen...

a)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

b)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt vervroegd

c)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

d)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt vervroegd

5.

Door een slechtere conjuncturele situatie...

a)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

b)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt vervroegd

c)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

d)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt vervroegd

6.

Door een lagere inflatie...

a)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

b)

Gaan mensen meer lenen en minder sparen:

Consumptie wordt vervroegd

c)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt uitgesteld

d)

Gaan mensen minder lenen en meer sparen:

Consumptie wordt vervroegd

7.

De lonen stijgen met 3%. De inflatie is 2%.
Wat is waar?

a)

De mensen gaan er reëel 1% op achteruit.

De koopkracht daalt

b)

De mensen gaan er reëel 1% op achteruit.

De koopkracht stijgt

c)

De mensen gaan er reëel 1% op vooruit

De koopkracht daalt

d)

De mensen gaan er reëel 1% op vooruit

De koopkracht stijgt

8.

De lonen stijgen met 3%. De inflatie is 10%.
Wat is waar?

a)

De mensen gaan er reëel 7% op achteruit.

De koopkracht daalt

b)

De mensen gaan er reëel 7% op achteruit.

De koopkracht stijgt

c)

De mensen gaan er reëel 7% op vooruit

De koopkracht daalt

d)

De mensen gaan er reëel 7% op vooruit

De koopkracht stijgt

9.

Twee stellingen, welke zijn waar/niet waar?
I Een nominale stijging is een stijging in €
II Een reële stijging is de stijging gecorrigeerd met inflatie. Dit is hoeveel producten je daadwerkelijk meer/minder kunt kopen

a)

I = waar
II = niet waar

b)

I = niet waar
II = waar

c)

Beide stellingen zijn waar

d)

Beide stellingen zijn niet waar

10.

Rente is...

a)

Een vergoeding voor het uitstellen van consumptie

b)

Een vergoeding voor het dragen van risico

c)

Een vergoeding voor inflatie

d)

Allemaal waar

11.

Als je een hoge tijdsvoorkeur hebt wil je nu geld uitgeven in plaats van later.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Als je een lage tijdsvoorkeur hebt...

a)

Wil je nu geld uitgeven:

Je gaat meer sparen en minder lenen

b)

Wil je nu geld uitgeven:

Je gaat minder sparen en meer lenen

c)

Wil je liever in de toekomst consumeren

Je gaat meer sparen en minder lenen

d)

Wil je liever in de toekomst consumeren

Je gaat minder sparen en meer lenen

13.

Als je een hoge tijdsvoorkeur hebt...

a)

Wil je nu geld uitgeven:

Dit zorgt voor consumptie nu en productie nu.

b)

Wil je nu geld uitgeven:

Dit zorgt voor consumptie en productie in de toekomst

c)

Wil je liever in de toekomst consumeren

Dit zorgt voor consumptie nu en productie nu

d)

Wil je liever in de toekomst consumeren

Dit zorgt voor consumptie en productie in de toekomst

14.

Als mensen een lage tijdsvoorkeur hebben kan dat in het heden voor een lager BBP zorgen.

a)

Nee! Want als je een lage tijdsvoorkeur hebt ga je nu geld uitgeven, dus zorgt dat voor consumptie en productie nu. Dus lager BBP

b)

JaW Want als je een lage tijdsvoorkeur hebt ga je nu je geld uitgeven. Dus dat zorgt voor minder consumptie nu en dus minder productie. Dus lager BBP

15.

Een stroomgrootheid meet je over een bepaalde periode.
Een voorraadgrootheid is een momentopname.
De contributie per maand is een voorbeeld van een...

a)

Stroomgrootheid

b)

Voorraadgrootheid

16.

Een stroomgrootheid meet je over een bepaalde periode.
Een voorraadgrootheid is een momentopname.
Het spaargeld op je rekening is een voorbeeld van een...

a)

Stroomgrootheid

b)

Voorraadgrootheid

17.

Een stroomgrootheid meet je over een bepaalde periode.
Een voorraadgrootheid is een momentopname.
Het hoogte van de hypotheekschuld op dit moment is een voorbeeld van een...

a)

Stroomgrootheid

b)

Voorraadgrootheid

18.

Welke uitspraak in relatie tot de grafiek is juist?

a)

Er is een duidelijke relatie tussen arbeidsproductiviteit en looninkomen

b)

De arbeidsproductiviteit daalt abrupt op het moment van pensionering

c)

De verdiencapaciteit stijgt door vermogenstoename

d)

Leerplicht heeft geen invloed op de arbeidsproductiviteit

Similar Resources on Wayground