wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moduletoets periode 1.3: Problemen in de ontwikkeling

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Bij de meeste kinderen is sprake van een normale ontwikkeling, maar bij sommigen is sprake van een niet-normale ontwikkeling. Bij een 3,5-jarige die nog een luier draagt, is sprake van een niet-normale ontwikkeling

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Een objectieve waarneming is: Moos beweegt zich te weinig.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Om te bepalen of de ontwikkeling normaal of niet-normaal verloopt, is het belangrijk te kijken naar de totale ontwikkeling.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

In het kindvolgsysteem staat het volgende: '10 jaar: dertig seconden stabiel op één been staan.' Waarvan is dit een voorbeeld?

a)

mijlpaal

b)

ontwikkelingsachterstand

c)

ontwikkelingslijn

5.

Risicofactoren zijn zaken die de kans op problemen of stoornissen in de ontwikkeling vergroten.

Een kind met ADHD of ASS heeft andere | dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden dan een kind zonder ADHD.

a)

andere

b)

dezelfde

6.

Kies in de zin het juiste woord.

Ontwikkelingsmogelijkheden | Ontwikkelingskansen zijn de invloeden van de omgeving op de mogelijkheden

van een kind om zich te ontwikkelen.

a)

Ontwikkelingsmogelijkheden

b)

Ontwikkelingskansen

7.

Kies in de zin het juiste woord.

Vroeggeboorte is wel een | geen risicofactor voor ontwikkelingsproblemen en -stoornissen.

a)

Wel een risicofactor

b)

geen risicofactor

8.

Het is belangrijk om problemen en stoornissen in de ontwikkeling zo snel mogelijk op te sporen, oftewel: vroegtijdig te onderkennen.

Door vroegtijdige onderkenning beschikken de ouders over belangrijke informatie voor gezinsplanning.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Het is belangrijk om problemen en stoornissen in de ontwikkeling zo snel mogelijk op te sporen, oftewel: vroegtijdig te onderkennen.

Door vroegtijdige onderkenning verdwijnt de ontwikkelingsachterstand.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Het is belangrijk om problemen en stoornissen in de ontwikkeling zo snel mogelijk op te sporen, oftewel: vroegtijdig te onderkennen.

Sommige ontwikkelingsstoornissen worden pas duidelijk op de basisschool.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Kinderen en jongeren kunnen last hebben van ontwikkelingsstoornissen en andersoortige stoornissen. Een angststoornis is een voorbeeld van een:

a)

ontwikkelingsstoornis

b)

andersoortige stoornis

12.

Kinderen en jongeren kunnen last hebben van ontwikkelingsstoornissen en andersoortige stoornissen. Een gedragsstoornis is een voorbeeld van een:

a)

ontwikkelingsstoornis

b)

andersoortige stoornis

13.

Kinderen en jongeren kunnen last hebben van ontwikkelingsstoornissen en andersoortige stoornissen.

Tics zijn een voorbeeld van een:

a)

ontwikkelingsstoornis

b)

andersoortige stoornis

14.

Bij het geven van feedback aan kinderen met een andere ontwikkeling gebruik je een

a)

ik-boodschap

b)

jij-boodschap

15.

De verlengde instructie is wel een | geen precieze herhaling van de groepsinstructie.

a)

wel een

b)

geen

16.

Structuur bieden aan kinderen met een andere ontwikkeling kun je wel | niet doen via de ruimte.

a)

wel doen

b)

niet doen

17.

Je werkt op een bso. Je begeleidt Marit (11 jaar) bij het maken van haar huiswerk. Het valt je op dat ze maar een kleine woordenschat heeft. Ook voegt ze woorden toe die niet passen in de zin en praat ze alleen over het hier en nu. Lezen en spellen gaat bij Marit beter dan praten. Ook schrijft ze goed leesbaar.

Welke stoornis heeft Marit waarschijnlijk?

a)

dysgrafie

b)

dyslexie

c)

taalontwikkelingsstoornis

18.

Combineer de stoornis met de juiste uiting.

ADD:

a)

impulsief reageren

b)

niet (lijken te) luisteren

c)

dromerig zijn

19.

Combineer de stoornis met de juiste uiting.

ADHD:

a)

impulsief reageren

b)

niet (lijken te) luisteren

c)

dromerig zijn

20.

Combineer de stoornis met de juiste uiting.

ADHD en ADD:

a)

impulsief reageren

b)

niet (lijken te) luisteren

c)

dromerig zijn

21.

Het begeleiden van kinderen met ontwikkelingsstoornissen heeft een aantal aandachtspunten.

Wat zijn twee voorbeelden van dingen die je beter wel kunt doen?

a)

een hooggevoelig kind aanmoedigen om toch mee te doen met groepsactiviteiten als hij dit niet wil

b)

hulp inschakelen van een logopedist bij een kind met een communicatiestoornis

c)

leerstof herhalen bij een kind met ADD

d)

leerstof voor een hoogbegaafd kind aanbieden als extra werk

22.

Je werkt als onderwijsassistent. Een leerling in de klas heeft een communicatiestoornis. Je merkt dat de leerling een fout maakt in het taalgebruik.

Wat kun je nu het best doen?

a)

de fout negeren

b)

de fout correct herhalen

c)

de leerling wijzen op de fout