WorksheetsLes 35: enkelvoudige en samengestelde zinnen
Total questions: 25
Worksheet time: 18mins
Vervang de gekleurde bijzin door één woord.
Wie nu niet zwijgt, krijgt geen toetje.
(a)
Vervang de gekleurde bijzin door één woord.
Dat jij geen zoetekauw bent, had ik niet verwacht.
(a)
Vervang de gekleurde bijzin door één woord.
Hij wachtte tot er nog meer lekkers op de tafel kwam.
(a)
Welk woord ontbreekt?
Panna cotta is een Italiaans nagerecht, ___ de naam letterlijk gekookte room betekent.
omdat
tenzij
waarvan
want
Welk woord ontbreekt?
Het gerecht komt uit de Noord-Italiaanse regio Piëmont, ___ Turijn de hoofdstad is.
als
door
waarvan
want
Welk woord ontbreekt?
Gelatine wordt opgelost in een mengsel van room, melk en suiker, ___ het mengsel na afkoeling zijn vorm behoudt.
en
omdat
waardoor
wanneer
Welk woord ontbreekt?
___ panna cotta een heel zwaar gerecht is, verkies ik een lichtere vorm op basis van melk.
mits
omdat
toen
wanneer
Wat is het gekleurde zinsdeel?
Gummiberen zijn een van de gemakkelijkste soorten snoep die je thuis zelf kunt maken.
hoofdzin
ondergeschikte bijzin met voegwoord
betrekkelijke bijzin
Hoeveel pv's telt de volgende zin?
Wanneer je water en gelatine samenbrengt, ontstaan er op natuurlijke wijze rubberachtige snoepjes.
1
2
3
Is dit een enkelvoudige of samengestelde zin?
Dure hulpmiddelen of vreemde ingrediënten hoef je niet te kopen.
enkelvoudig
samengesteld
Is de volgende samengestelde zin ondergeschikt of nevengeschikt?
Giet koud water in een steelpan en zet die op het fornuis.
ondergeschikt
nevengeschikt
Is de volgende samengestelde zin ondergeschikt of nevengeschikt?
Roer af en toe door het mengsel zodat alle gelatine volledig in het water oplost.
ondergeschikt
nevengeschikt
Is dit een enkelvoudige of samengestelde zin?
Anders zal het mengsel kleven wanneer je het in de pan probeert te gieten.
enkelvoudig
samengesteld
Vul de zin aan: die of dat?
Het huis ___ we gekocht hadden, moest verbouwd worden.
die
dat
Vul de zin aan: die of dat?
Het rapport ___ je zult krijgen, zal je blij maken.
die
dat
Vul de zin aan: die of dat?
Het zijn de slechte punten ___ je zult krijgen.
die
dat
Vul de zin aan: die of dat?
Het is de bullebak ___ je op de kop zal slaan.
die
dat
Vul de zin aan: die of dat?
De jongen ___ naar huis ging, vergat zijn boekentas.
die
dat
Vul de zin aan met die, dat of wat.
Het schilderij (a) je hebt opgehangen, viel opnieuw van de muur.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
Ik zie, ik zie (a) jij niet ziet.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
Alles (a) ik vandaag leer, ben ik morgen weer vergeten.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
De bus (a) net vertrekt, stopt niet aan Brussel-Noord.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
Vertel me een verhaal (a) je zelf ook mooi vindt.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
De opdrachten (a) Wouter moet maken, staan achteraan in het werkboek.
Vul de zin aan met die, dat of wat.
Is er iets (a) je me niet vertelt?
