wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 havo: Stofwisseling

Total questions: 34

Worksheet time: 3hrs 50mins

Name
Class
Date
1.

Wat is stofwisseling?

a)

De vorming van vetten

b)

De opbouw van eiwitten

c)

De afbraak van glucose

d)

Het omzetten van stoffen in andere stoffen

2.

Wat is de functie van zuurstof in organismen?

a)

Het is een bouwstof voor cellen

b)

Het maakt deel uit van organische moleculen

c)

Het is een afvalproduct

d)

Het is een energiedragermolecuul

3.

Wat komt vrij bij het verbreken van bindingen tussen atomen?

a)

Chemische energie

b)

Zuurstof

c)

Lichtenergie

d)

Warmte

4.

Wat is glucose?

a)

Een polysacharide

b)

Een type vet

c)

Een organische stof belangrijk voor de stofwisseling

d)

Een aminozuur

5.

Wat is de rol van enzymen?

a)

Ze breken glucose af

b)

Ze katalyseren chemische omzettingen

c)

Ze zijn energiedragermoleculen

d)

Ze vormen ATP

6.

Wat is fotosynthese?

a)

De productie van zuurstof uit glucose

b)

De afbraak van glucose

c)

De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

d)

De omzetting van vetten in energie

7.

Wat zijn monosachariden?

a)

Eiwitten

b)

Enkelvoudige suikers

c)

Complexe suikers

d)

Polysachariden

8.

Wat is de functie van ATP?

a)

Het is een bouwstof

b)

Het is een energiedragermolecuul

c)

Het is een enzym

d)

Het is een vetzuur

9.

Wat is de betekenis van dissimilatie?

a)

De opbouw van organische moleculen

b)

De afbraak van grote organische moleculen tot kleinere

c)

De vorming van glucose

d)

De omzetting van energie

10.

Wat is een disacharide?

a)

Een aminozuur

b)

Een polysacharide

c)

Een enkelvoudige suiker

d)

Een verbinding van twee monosachariden

11.

Wat is de rol van bladgroen?

a)

Het is een bouwstof voor cellen

b)

Het breekt glucose af

c)

Het is een energiedragermolecuul

d)

Het absorbeert lichtenergie

12.

Wat is de functie van reservestoffen?

a)

Ze zijn afvalproducten

b)

Ze zijn alleen energiedragermoleculen

c)

Ze kunnen dienen als brandstof en bouwstof

d)

Ze zijn alleen bouwstoffen

13.

Wat is de betekenis van aerobe dissimilatie?

a)

De afbraak van vetten

b)

De vorming van alcohol

c)

Dissimilatie met zuurstof

d)

Dissimilatie zonder zuurstof

14.

Wat ontstaat bij gisting?

a)

Zetmeel

b)

Glucose

c)

Alcohol

d)

Zuurstof

15.

Wat zijn polysachariden?

a)

Verbindingen van vele monosachariden

b)

Enkelvoudige suikers

c)

Eiwitten

d)

Verbindingen van enkele monosachariden

16.

Wat is een beperkende factor?

a)

De factor die de energievoorziening beïnvloedt

b)

De factor die de snelheid van een proces bepaalt

c)

De factor die het minst gunstig is

d)

De factor die het meest gunstig is

17.

Wat is de rol van glycerol in vetten?

a)

Het is een enkelvoudige suiker

b)

Het is een aminozuur

c)

Het is een verbinding van drie C-atomen

d)

Het is een polysacharide

18.

Wat is de functie van koolstofassimilatie?

a)

De omzetting van vetten in energie

b)

De vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

c)

De afbraak van glucose

d)

De productie van zuurstof

19.

Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese? (meerdere antwoorden goed)

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

e)

Zonlicht

20.

Welk onderdeel onderbreekt in de vergelijking?


..... + CO2 + licht = glucose + zuurstof

a)

Water

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

21.

Marlon zegt: Verbranding vindt plaats in elke cel van je lichaam.

Gerard zegt: In plantencellen vindt geen verbranding plaats


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Marlon heeft gelijk

c)

Gerard heeft gelijk

d)

Beide ongelijk

22.

Om het vuur van het leven brandend te houden, is energie nodig. Planten nemen een molecuul op en maken daar een organische verbinding van. Dieren verkrijgen die energie door deze organische verbinding op te nemen uit de planten en die af te breken. Een gedeelte van de energie komt vrij als warmte en een deel wordt opgeslagen in een molecuul.

Hier staan drie moleculen die een rol spelen in bovenstaande tekst. Zet de moleculen in de volgorde waarin ze in de tekst voorkomen.

a)

Glucose - ATP - Koolstofdioxide

b)

Glucose - Koolstofdioxide - ATP

c)

Koolstofdioxide - Glucose - ATP

d)

Koolstofdioxide - ATP - Glucose

23.

Welke bewering over enzymen is juist?

a)

De activiteit van een enzymoplossing is onafhankelijk van de concentratie van het enzym

b)

Een enzymmolecuul is maar één keer actief en is dan kapot

c)

Enzymen leveren de activeringsenergie voor het op gang brengen van een reactie

d)

Enzymmoleculen verliezen hun activiteit als hun ruimtelijke molecuulstructuur is verstoord.

24.

Jools kent nog geen concrete namen van enzymen, maar ze weet al wel hoe de naamgeving is geregeld.

Welke stoffen herkent ze als enzymen?

(meerdere antwoorden goed)

a)

Amylase

b)

Lipase

c)

Pepsine

d)

Trypsine

25.

In de industrie wordt een product gebruikt dat zetmeel afbreekt. Iemand onderzoekt hoe dit product bij verschillende temperaturen inwerkt op een zetmeeloplossing. Dat doet hij door te meten hoelang de omzetting van zetmeel blijft voortduren. In de afbeelding is deze tijd afgezet tegen de temperatuur.

Wat is de juiste conclusie op grond van de resultaten in de grafiek?

a)

Het gaat hier om een enzym dat bij 25C enigszins wordt beschadigd

b)

Het gaat hier om een enzym dat een breed optimumgebied voor de temperatuur heeft

c)

Het gaat hier om een mengsel van twee enzymen met een verschillend temperatuuroptimum

d)

Het gaat hier om een minimumkromme van de enzymwerking onder invloed van de temperatuur

26.

In een fles worden water, een groene waterplant en een vis gedaan. Aan het water is een kleurstof toegevoegd waarvan bekend is dat deze het water blauw kleurt als het arm is aan koolstofdioxide. Na vijf uur is het water nog steeds blauw.

Wat kun je concluderen over de situatie in die vijf uur?

De fles stond in het donker en de vis was niet erg actief.

De fles stond in het donker en de plant produceerde koolstofdioxide.

De fles stond in het licht en de vis was niet erg actief.

De fles stond in het licht en de plant produceerde koolstofdioxide.

a)

De fles stond in het donker en de vis was niet erg actief

b)

De fles stond in het donker en de plant produceerde koolstofdioxide

c)

De fles stond in het licht en de vis was niet erg actief

d)

De fles stond in het licht en de plant produceerde koolstofdioxide

27.

Welk proces wordt of welke processen worden tot de assimilatie gerekend? Meerdere antwoorden goed

a)

Aminozuren worden omgezet in eiwitten.

b)

Eiwitten worden omgezet in aminozuren.

c)

Glucose wordt omgezet in glycogeen.

d)

Glycerol en vetzuren worden omgezet in vetten.

e)

Zetmeel wordt omgezet in glucose.

28.

Bestaat een hoefijzer uit anorganische stoffen?

a)

Ja

b)

Nee

29.

glucose + zuurstof ==> koolstofdioxide + water + energie.

Dit is de reactie vergelijking van...

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

30.
Welke stof bevat veel energie?
a)
Zuurtsof
b)
Koolstofdioxide
c)
Water
d)
Eiwit
31.
Een salamander heeft een hogere stofwisseling bij een temperatuur van 40 graden celcius dan een hond.
a)
Juist
b)
Onjuist
32.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

33.

welk organisme is autotroof?

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

bacterie

d)

alg

34.

Het optimum (hier werk het enzym optimaal) van enzym 2 is bij hoeveel graden celcius?

a)

12

b)

37

c)

48

d)

20