wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Chemie Vragen Quiz

Total questions: 142

Worksheet time: 1hrs 11mins

Name
Class
Date
1.

Een atoomkern ...

a)

Bestaat uit protonen en elektronen

b)

Wordt door geen van de andere mogelijkheden correct omschreven

c)

Is negatief geladen

d)

Is 1000 keer groter dan een atoom

2.

Een atoom ...

a)

Is steeds negatief geladen

b)

Heeft normaal even veel protonen als elektronen

c)

Is steeds positief geladen

d)

Heeft een protonenmante

3.

De atomaire massa u is gelijk aan ...

a)

1,6.10⁻¹⁹ Coulomb

b)

1,27.10²⁷ kg

c)

Het twaalfde deel van de absolute atoommassa van koolstof

d)

1,27.10⁶⁷ kg

4.

We hebben 1 atoom van het element lood en 1 atoom van het element goud, welk van beide heeft de grootste massa?

a)

Atomen hebben geen massa

b)

Goud

c)

Lood

d)

Individuele atomen zijn altijd even zwaar

5.

Hoeveel elektronen zitten er in de buitenste schil van een zilveratoom?

a)

1

b)

2

c)

8

d)

18

6.

Het aantal elektronen per hoofdniveau is beperkt, namelijk ...

a)

2n met een maximum van 18

b)

2n² met een maximum van 32

c)

2n² met een maximum van 18

d)

2n met een maximum van 32

7.

Welke stelling is fout?

a)

Hoe verder van de kern, hoe verder de schillen van elkaar liggen

b)

Hoe hoger een baan en hoe verder van de kern, hoe hoger de energie

c)

Als een elektron overgaat van schil P naar schil O, wordt er licht uitgestraald

d)

Om naar een hogere baan te gaan is energie nodig die door het absorberen van licht wordt verkregen

8.

Welke stelling is juist?

a)

Hoe verder van de kern, hoe verder de schillen bij elkaar liggen

b)

Als een elektron overgaat van schil O naar schil P, wordt er licht uitgestraald

c)

Hoe hoger een baan en hoe verder van de kern, hoe hoger de energie

d)

Om naar een lagere baan te gaan is energie nodig die door het absorberen van licht wordt verkregen

9.

Hoeveel elektronen kunnen er maximaal in schil M?

a)

18

b)

32

c)

2

d)

8

10.

Hoeveel perioden en groepen heeft het periodieke systeem?

a)

7 perioden en 18 groepen

b)

6 perioden en 19 groepen

c)

9 perioden en 18 groepen

d)

7 perioden en 17 groepen

11.

Waterstof, koolstof, zwavel en chloor ...

a)

Zijn edelgassen

b)

Zijn niet-metalen

c)

Hebben allemaal hetzelfde aantal elektronen op de buitenste schil

d)

Zijn edelmetalen

12.

Van welke soort verbinding van 2 atoomsoorten wordt keukenzout gemaakt?

a)

3-voudige covalente binding van stikstof en zuurstof

b)

Covalente binding van 2 H-atomen

c)

Ionbinding van Na en Cl

d)

Metaalbinding ruimtelijk gecentreerd van koolstof en zuurstof

13.

Welke stelling is juist?

a)

Een ionverbinding is erg vluchtig

b)

Een ionbinding is goed oplosbaar in een polair solvent zoals water

c)

Een ionverbinding breekt niet gemakkelijk (is niet bros)

d)

Een ionverbinding heeft een laag smeltpunt

14.

Een covalente binding wordt gevormd tussen?

a)

Tussen op zijn minst 4 atomen

b)

Tussen niet-metalen

c)

Tussen op zijn minst 3 atomen

d)

Tussen metalen

15.

FOTO- Wat stellen de donkere lijnen op de afbeelding van de microstructuur van zuiver ijzer voor?

a)

Mengkristallen

b)

Vrije valentie-elektronen

c)

Dislocaties

d)

Korrelgrenzen

16.

Welke bewering is fout?

a)

In een metaalbinding staan metaalatomen hunvalentie-elektronen af om negatieve ionen met een stabiele configuratie te vormen

b)

De afgestane valentie-elektronen blijven gemeenschappelijk aan alle atomen

c)

Metalen opgebouwd uit meerdere atoomsoorten noemt men mengkristallen

d)

Een metaalbinding wordt gevormd tussen metaalatomen

17.

Een composiet is een combinatie van?

a)

Exact 2 materialen

b)

1 materiaal en lucht

c)

Exact 3 materialen

d)

2 of meer materialen

18.

Wat is geen composiet?

a)

Hout

b)

Keramiek

c)

Fiberglas

d)

Carbon fiber

19.

In de natuur vinden we de eerste composieten in...?

a)

Bacteriën

b)

Dode organismen

c)

Levende organismen

d)

Virussen

20.

Wat is de nominale chemische samenstelling van geelkoper?

a)

70% Cu en 30% Sn

b)

68% Cu en 32% Zn

c)

70% Cu en 30% Zn

d)

68% Cu en 32% Sn

21.

Een metalen plaat met een rond gat wordt verwarmd. Wat zal er met de afmetingen van dit gat gebeuren?

a)

Het gat wordt kleiner

b)

De plaat trekt krom ter hoogte van het gat

c)

Het gat blijft even groot

d)

Het gat wordt groter

22.

Een metalen plaat met een vierkant gat wordt verwarmd. Wat zal er met de afmetingen van dit gat gebeuren?

a)

Het gat wordt kleiner

b)

Het gat blijft even groot

c)

De plaat trekt krom ter hoogte van het gat

d)

Het gat wordt groter

23.

Wat is de betekenis van de materiaaleigenschap HDT?

a)

Hardheid Dickers-Temperatuur - de hardheid volgens Dickers bij toename van de temperatuur

b)

Hardheid Drinell-temperatuur - de hardheid volgens Drinell bij toename van de temperatuur

c)

Honeywell dichtheidsindex in functie van de tijd

d)

Heat distortion temperature - temperatuur waarboven de eigenschappen verloren gaan

24.

De eenheid van de soortelijke weerstand ρ is

a)

Ωm²

b)

Ω/m

c)

Ω.m

d)

m/Ω

25.

Wanneer is een materiaal makkelijk te magnetiseren?

a)

Als de hysteresislus bij het cyclisch magnetiseren een groot oppervlak heeft

b)

Als de hysteresislus gekromd is door de aanwezigheid van kristalroosters

c)

Als het een hard magnetisch materiaal is

d)

Als de hysteresislus bij het cyclisch magnetiseren een klein oppervlak heeft

26.

Hoe heet het punt waar elastische vervorming bij een trekproef overgaat naar plastische vervorming?

a)

Breekpunt

b)

Insnoering

c)

Elasticiteitsmodulus

d)

Rekgrens of vloeigrens

27.

Wanneer een materiaal plastisch vervormd wordt, veroorzaakt dit wisselwerking met dislocaties in de materiaalstructuur en wordt het materiaal sterker en harder. Dit verschijnsel staat bekend als...

a)

Trekbaarheid

b)

Stijfheid

c)

Werkversteviging

d)

Duurzaamheid

28.

Wat geeft de formule σᵥᵥₐₐᵣ = K.eⁿᵥᵥₐₐᵣ weer?

a)

Kruipsterkte

b)

Hysteresiskrommen

c)

Poisonfactor

d)

Ware spanning-rekkrommen

29.

De verhouding tussen de spanning in de axiale richting en de dwarsspanning is...

a)

De insnoering

b)

De elasticiteitverhouding

c)

De Poissonverhouding

d)

De vloeigrens

30.

Warmgewalst staal breekt in een trekproef

a)

Geen van de andere beweringen is correct

b)

Er is een duidelijke vloeigrensverlenging zichtbaar in de trek-rek kromme

c)

Er is een duidelijke ketenversterking zichtbaar in de trek-rek kromme

d)

Er is in de trek-rek kromme een lineaire stijging vanuit de oorsprong tot aan het breekpunt

31.

De veerkracht van een materiaal wordt uit de trekproef afgeleid door

a)

Het bepalen van het oppervlak onder de spanning-rekkromme tot aan de elasticiteitsgrens

b)

Het bepalen van het oppervlak onder de spanning-rekkromme van de elasticiteitsgrens tot aan de breukrek

c)

Het bepalen van het oppervlak onder de spanning-rekkromme van 0 tot aan de breukrek

d)

Berekening van de volgende formule: 16E/σel²

32.

Van een bout wordt de schroefdraad beschadigd/afgedraaid door zware belasting. Door welke spanning faalt de bout?

a)

Insnoering

b)

Buigspannin

c)

Trekspanning

d)

Schuifspanning

33.

Van een bout wordt de schroefdraad beschadigd/afgedraaid door zware belasting. Door welke spanning faalt de bout?

a)

Insnoering

b)

Buigspanning

c)

Trekspanning

d)

Schuifspanning

34.

Welk indruklichaam wordt gebruikt voor de hardheidsmeting Brinell?

a)

Een diamenten kegel

b)

Een kogel

c)

Een diamanten piramide

d)

Een durometer naald

35.

Welk indruklichaam wordt gebruikt voor de hardheidsmeting Vickers?

a)

Een diamanten piramide

b)

Een kogel

c)

Een durometer naald

d)

Een diamanten kegel

36.

Van welke andere hardheidsmeting is de hardheid Knoop een speciale versie?

a)

Rockwell B

b)

Hoge nauwkeurigheid Vickers

c)

Rockwell C

d)

Hoge nauwkeurigheid Brinell

37.

Wat is de juist belastingsvolgorde die wordt toegepast met de hardheidsmeting van Rockwell?

a)

Bij de hardheidsproef van rockwell wordt er niets belast

b)

Maximale belasting, minimale belasting, maximale belasting

c)

Zacht krassen, normaal krassen, hard krassen

d)

Minimale belasting, maximale belasting, minimale belasting

38.

Met welk afdruklichaam wordt gemeten voor de hardsheidproef van Shore?

a)

Piramide

b)

Kogel

c)

Diamanten punt

d)

Naald

39.

Voor welke materialen wordt de hardheidsproef van Shore het meest gebruikt?

a)

Keramieken

b)

Zachte metalen

c)

Polymeren en elastomeren

d)

Harde metalen

40.

Op welke manier wordt bij de kerfslagproef Charpy een staaf gebroken?

a)

Door een slinger met gewicht midden op de staaf te laten slaan

b)

Door een slinger met gewicht op een uitstekend stuk van de staaf te laten slaan

c)

Door de staaf te belasten tot de rand van de Wöhler curve

d)

Door de staaf te belasten bij een hogere temperatuur

41.

Op welke manier wordt bij de kerfslagproef Izod een staaf gebroken?

a)

Door een slinger met gewicht op een uitstekend stuk van de staaf te laten slaan

b)

Door de staaf te belasten bij een hogere temperatuur

c)

Door een slinger met gewicht midden op de staaf te laten slaan

d)

Door de staaf te belasten tot het maximum in de S-N curve

42.

Een materiaal heeft in de S-N curve een blijvende daling. Wat wilt dit zeggen?

a)

Het materiaal zal na zeer veel belastingscycli falen

b)

De vermoeiingsgrens voor het materiaal stijgt

c)

Het materiaal zal sterker worden na 10^6 cycli

d)

Het materiaal heeft voor deze belasting een oneindige levensduur

43.

Welk materiaal is het best bestand tegen kruip?

a)

Kunststoffen

b)

Keramische materialen

c)

Steen

d)

Metalen

44.

Wanneer treed kruip op?

a)

Bij 0,4% van de smelttemperatuur

b)

Bij 98% van de smelttemperatuur

c)

In vochtige plaatsen

d)

Bij temperaturen onder het vriespunt

45.

Bereken de hoeveelheid warmte die vereist is om de temperatuur van een ovenlading stalen onderdelen te verhogen van kamertemperatuur (20° C) tot 980° C. De soortelijke warmte van deze staalsoort is 502 J/kg.K. De onderdelen wegen 110 kg.

a)

53MJ

b)

0,5522MJ

c)

55,22MJ

d)

54,11MJ

46.

Welk is het getal van Avogadro?

a)

1,6x10⁻¹⁹

b)

9,11x10⁻³¹

c)

6,02x10²³

d)

7,96x10⁴⁵

47.

Het getal van Avogadro is...

a)

... de lading van een elektron

b)

... het aantal mol in 12 gram koolstof

c)

... het aantal deeltjes in 1 mol van een stof

d)

... de massa van een atoom

48.

Wat is de eenheid van molmassa?

a)

mol

b)

gram/mol

c)

gram

d)

mol/liter

49.

Wat zijn elektrolyten?

a)

Verbindingen die in gesmolten toestand of opgelost in water de elektrische stroom geleiden

b)

Verbindingen die in vaste toestand of opgelost in water de elektrische stroom geleiden

c)

Verbindingen die in gesmolten toestand of opgelost in water de elektrische stroom niet geleiden

d)

Verbindingen die in vaste toestand of opgelost in zuur de elektrische stroom geleiden

50.

Een niet-elektrolyt is een stof die...

a)

In vloeibare of in gesmolten toestand niet ioniseert

b)

In vloeibare of in gesmolten toestand ioniseert

c)

In vaste of in gesmolten toestand niet ioniseert

d)

In vaste of in gesmolten toestand ioniseert

51.

Een sterk elektrolyt is...

a)

Nagenoeg volledig geïoniseerd

b)

Niet geïoniseerd

c)

Gedeeltelijk geïoniseerd

d)

Een slechte elektrische geleider

52.

De redoxreactie is

a)

Een halfreacties van oxidatie en reductie

b)

Een andere term voor oxidatie

c)

Het reduceren van een materiaal, zodoende dat er oxidatie kan ontstaan

d)

Het optreden van poreusiteit bij het opwarmen van een metaal

53.

Corrosie is een

a)

Elektrochemisch proces

b)

Elektrolytisch proces

c)

Elektrostatisch proces

d)

Elektromagnetisch proces

54.

Wat is passiviteit?

a)

De spontane vorming van beschermende laag in een corrosieve omgeving waar dit niet (steeds) verwacht wordt

b)

Passiviteit is hetzelfde als isolatie. Het niet geleiden van elektrische stroom.

c)

Passiviteit is de weerstand tegen buigen.

d)

Geen van de andere antwoorden is correct

55.

Wanneer kan putcorrosie optreden?

a)

Als in de beschermende laag scheurtjes of beschadigingen zitten

b)

Als er lekken ontstaan in een onderdeel

c)

Als twee ongelijksoortige metalen elektrisch verbonden zijn in een elektrolyt

d)

Als de elektrische spanning tussen de materialen voldoende hoog is

56.

Hoe ontstaat spleetcorrosie niet?

a)

Door een te grote mechanische belasting op het materiaal - bijvoorbeeld bout die te vast aangedraaid is

b)

Door hoge concentratie metaalionen en vermindering van het zuurstofgehalte

c)

Door een kleine opening tussen 2 metalen of een metaal en een afzetting

d)

Door een verschil tussen de spleet en daarbuiten

57.

Wat is filloforme corrosie?

a)

Een speciale vorm van spleetcorrosie tussen een organische coating en een metaal

b)

Galvanische corrosie tussen 2 verschillende metalen

c)

Filiforme corrosie is een corrosie van passief materiaal

d)

Filiforme corrosie ontstaat door sensitisatie bij lassen (wegtrekken van chroom naast de las)

58.

Aan welke kant ontstaat galvanische corrosie?

a)

De anode

b)

De kathode

c)

Zowel de anode als de kathode

d)

Aan de kant van het niet-metaal

59.

Aluminium wordt mechanisch tegen koper verbonden. Welke van de 2 materialen zal gaan roesten/oxideren?

a)

Aluminium

b)

Koper

c)

Ze zullen beide gaan roesten/oxideren

d)

Er zal geen oxidatie optreden

60.

Koper wordt mechanisch tegen gietijzer verbonden. Welke van de 2 materialen zal gaan roesten/oxideren?

a)

Gietijzer

b)

Koper

c)

Ze zullen beide gaan roesten/oxideren

d)

Er zal geen oxidatie optreden

61.

Een gegalvaniseerde schroef wordt in een inox type 304 (actief) plaat geschroefd. Wat zal er gebeuren?

a)

De schroef zal gaan roesten

b)

De inox plaat zal oxideren

c)

Ze zullen beide gaan roesten/oxideren

d)

Er zal geen oxidatie optreden

62.

Waarom roest een gegalvaniseerde stalen schroef in een aluminium plaat?

a)

Er treedt galvanische corrosie op de schroef op omdat de gegalvaniseerde schroef het minst edele materiaal is

b)

Er treed puterrosie op door zuurwerking op de gegalvaniseerde stalen schroef

c)

Er treed galvanische corrosie op omdat het aluminium zich als anode gaat gedragen

d)

Er ontstaat interkristallijne aantasting omdat er chroomcarbiden gevormd worden in de gegalvaniseerde stalen schroeven

63.

Welk van volgende eigenschappen onderscheid spanningscorrosie van andere vormen van corrosie?

a)

Het oppervlakte staat onder trekspanning

b)

Het materiaal zit onder een corrosief medium (vb. Zoutwater)

c)

Het materi

64.

pen onderscheid spanningscorrosie van andere vormen van corrosie?

a)

Het oppervlakte staat onder trekspanning

b)

Het materiaal zit onder een corrosief medium (vb. Zoutwater)

c)

Het materiaal is blootgesteld aan een elektrische wisselspanning

d)

Het materiaal oxideert door de combinatie van 2 verschillende metalen

65.

Wat is een oplossing voor sensitisatie bij lassen tegen te gaan?

a)

Staal gebruiken met weinig koolstof

b)

Staal gebruiken met veel koolstof

c)

Het materiaal koelen voor het lassen

d)

Materialen voor het lassen goed inklemmen

66.

Wat is sensitisatie bij lassen?

a)

Het ontstaan van chroomcarbiden rond las van roestvrij staal

b)

Het verkleuren van materiaal na het lassen van koolstofstaal

c)

Het kromtrekken van staal bij het lassen

d)

Het oxideren van de lasnaad door te weinig beschermende gassen te gebruiken

67.

Wat blijft er over na selectieve corrosie?

a)

Een gewijzigde microstructuur

b)

Een metaallegering

c)

Messing

d)

Een interkristallijne aantasting

68.

Hoe worden polymeren gevormd bij additiepolymerisatie?

a)

Door aangroeien van hetzelfde monomeer op een keten van monomeren

b)

Door samenvoeging van 2 stoffen die een reactie aangaan waarbij water gevormd wordt

c)

Door samenvoeging van een katalysator en een prepoymeer om zo crosslinks te vormen

d)

Door de vorming van amorfe ketens uit 2 monomeren waarbij water vrijkomt

69.

Hoe wordt een polymeer gevormd bij entcopolymerisatie?

a)

Door aanhechting van een keten van monomeren van type A op een keten van monomeren van type B

b)

Door opbouw van afwisselend grote ketens van monomeren van type A en grote ketens van monomeren van type B

c)

Door opbouw van ketens met random lengte van monomeren van type A en ketens met random lengte van monomeren van type B

d)

Door afwisselend opbouw van monomeren van type A en met monomeren van type B

70.

Wat is de substituent bij de vorming van een PVC-monomeer?

a)

Chloor

b)

Koolstof

c)

Waterstof

d)

Benzeenring

71.

Bij polycondensatie worden...

a)

Twee verschillende monomeren aan elkaar gekoppeld met afsplitsing van een klein molecule

b)

Vier verschillende monomeren aan elkaar gekoppeld

c)

Repeterende eenheden aan elkaar gemaakt door additie met behulp van een katalysator

d)

Cross-links gemaakt tussen monomeren

72.

Bij welke polymeer liggen de ketens door elkaar?

a)

Amorf polymeer

b)

Kristallijn polymeer

c)

Semi-kristallijn polymeer

d)

Gasvormig polymeer

73.

Welke bewering is fout?

a)

Thermoplasten zijn niet recycleerbaar

b)

Thermoplasten vloeien bij hoge temperatuur en stollen bij lage temperatuur

c)

Thermoharders kunnen nadat ze uitgehard zijn niet opnieuw vloeibaar gemaakt worden door verhitten

d)

Thermoharders zijn niet recycleerbaar

74.

Welke bewering is fout?

a)

Thermoplasten worden vloeibaar gevormd door gebruik te maken van een oplosmiddel

b)

Thermoplasten zijn recycleerbaar

c)

Thermoharders worden vloeibaar gevormd door gebruik te maken van een oplosmiddel

d)

Thermoharders smelten niet, verkolen, verbranden of sublimeren

75.

Bij lineaire polymeren zijn de bindingen alleen het gevolg van fysische aantrekkingskrachten. Wat heeft geen invloed op de binding?

a)

Zwaartekracht

b)

Vanderwaalskrachten

c)

Dipoolkrachten

d)

Waterstofbindingen

76.

Wat is geen eigenschap van Cross-linking?

a)

Zeer flexibel

b)

Driedimensionale structuur

c)

Zeer sterk en stijf

d)

Chemische binding tussen ketens onderling

77.

Wat is ketenverstijving op monomeren?

a)

Grote substituentengroepen op monomeren zorgen dat ketens zich hier rond kunnen verstrengelen en buigen

b)

Het vormen van een driedimensionale structuur die zeer flexibel is

c)

De vervanging van een benzeensubstituent door een waterstofatoom waardoor de structuur

78.

Hoe heeft stereoregelmatigheid van monomeren impact op de sterkte van de polymeren die gevormd worden?

a)

Stereoregelmatigheid binnen een monomeer zorgt ervoor dat een polymeer zich meer kristallijn zal gedragen waardoor dit sterker is

b)

Stereoregelmatigheid met atactische locaties van de zijgroep zorgen voor een zeer sterk materiaal

c)

Stereoregelmatigheid met syndiotactische zijgroepen leveren rubberachtige materialen op

d)

Geen van de andere omschrijvingen is juist

79.

Wat is de glasovergangstemperatuur?

a)

Temperatuur waarbij amorf polymeer week of zacht wordt bij verwarming

b)

Temperatuur waarbij amorf polymeer bros of glasachtig wordt bij verwarming

c)

Temperatuur waarbij kristallijn polymeer bros of glasachtig wordt bij verwarming

d)

Temperatuur waarbij kristallijn polymeer bros of glasachtig wordt bij koeling

80.

Het polymeer Polyetheen (PE) wordt gevormd door de polymerisatie van het volgend monomeer

a)

Etheen

b)

Polyethyleen

c)

Propeen

d)

Geen van bovenstaande, polyetheen wordt niet gemaakt door polymerisatie.

81.

Wat zal er gebeuren als je frisdrank (bv. Cola) inschenkt in een beker gemaakt uit polyetheen (PE)

a)

Niets, de zure frisdrank kan veilig in contact komen met het materiaal

b)

De beker zal oplossen

c)

De cola wordt giftig

d)

De beker zal kleine lekjes vertonen want er treedt kristalverschuiving op

82.

Wat is een belangrijke eigenschap van Polypropeen?

a)

Er is geen oplosmiddel voor polypropeen waardoor het te gebruiken is voor chemische opslagvaten

b)

Polypropeen is zeer taai - veel taaier dan PE

c)

Polypropeen is een zware kunststof. Deze kunststof zinkt in water.

d)

Polypropeen heeft een zeer laag smeltpunt. Polypropeen kan met lichaamswarmte gesmolten worden.

83.

Wat zijn Ftalaatweekmakers bij PVC?

a)

Dit is het materiaal van de passieve beschermlaag op PVC die gevormd wordt door UV-licht (bijvoorbeeld van de zon)

b)

De smaak wordt daarbij aan het product in de PVC container (vb. fles) afgegeven

c)

Geen van de andere omschrijvingen is juist

d)

Dit is een toevoeging van PVC waardoor kunstof flexibel wordt

84.

Welke eigenschap is kenmerkend voor Polystyreen?

a)

Goedkoop en bros

b)

Niet bruikbaar voor eetgerei door mogelijke afgifte van Ftalaten

c)

Niet brandbare kunststof

d)

Bevat chloor als substituent

85.

Wat is ABS?

a)

Een copolymeer van butadieen en acrylonitril en styreen

b)

Een covalente binding tussen Argon (A), Broom (B) en Zwavel (S)

c)

Een thermohardende kunststof die ontstaat uit een atactische blokmonomeer in een zwavelatmosfeer

d)

Geen van de andere omschrijvingen is juist

86.

Wat is een populaire naam voor PMMA

a)

Plexiglas

b)

Isomo

c)

Polyester

d)

Polymetaalmetaalacryl

87.

De antiaanbaklaag in pannen is een toepassing van?

a)

Fluorkoolstoften

b)

Thermoplastische polyesters

c)

Polystyreen

d)

Geen van de andere kunststoffen

88.

Waarom wordt het fluorkoolstof teflon gebruikt als afdichtingen en buizen voor zeer agressieve chemicaliën?

a)

Het is zeer chemisch inert

b)

Het heeft een geringe ontvlambaarheid

c)

Het heeft een zeer lage thermische uitzettingscoëfficiënt

d)

Het heeft een uitstekende vermoeiingsweerstand

89.

Als wat wordt PET niet gebruikt?

a)

Plexiglas

b)

Tandwielen

c)

Flessen

d)

Textielvezels

90.

Wat is een fenolhars?

a)

Bakeliet

b)

Bewerkt dennenhars

c)

ABS

d)

PVC

91.

Wat is een fenolhars?

a)

Bakeliet

b)

Bewerkt dennenhars

c)

ABS

d)

PVC

92.

Wat is een kenmerk van Fenolhars?

a)

Het is een goede thermische en elektrische isolator

b)

Je kan het meermaals vervormen

c)

Het is een natuurproduct

d)

Het wordt niet gebruikt als lijm

93.

Wat is de afkomst van Na in de afkorting "Buna S"?

a)

Natrium werd gebruikt als catalysator

b)

Buna S wordt alleen gebruikt in een omgeving waar natrium aanwezig is

c)

Natrium komt voor in de brutoformule

d)

Na staat niet voor natrium maar voor de volgorde waarin men de stof maakt. Butadieen toevoegen na styreen

94.

Wat zijn siliconen?

a)

Het is een synthetische stof waarin silicium verwerkt zit

b)

Het is een synthetische stof opgebouwd uit methaan en ethanol

c)

Het is een thermische stof die een magnetische eigenschap krijgt door afkoeling

d)

Het is een stof die gedestilleerd wordt uit silicagel

95.

Rubbers bevatten crosslinks. Wat wilt dit zeggen?

a)

Rubbers kunnen niet opnieuw gesmolten of verwerkt worden

b)

Rubbers kunnen opnieuw gesmolten of verwerkt worden

c)

Rubbers worden gevormd door kruisvormige verbindingen tussen waterstof en zuurstof

d)

Geen van de andere antwoorden is correct

96.

Metalen of metaalwapeningstructuren worden vaak gebruikt in de vorm van...

a)

een honinggraatpatroon

b)

een sterpatroon

c)

een kubuspatroon

d)

een hagelpatroon

97.

Wat is co-spuitgieten

a)

Spuitgieten met 2 extrusievaten en invoersystemen

b)

Spuitgieten met schuimen

c)

Spuitgieten waar er iedere keer twee producten uitkomen

d)

Spuitgietmachine met twee trechters

98.

Waar worden de korrels in een spuitgietmachine gesmolten?

a)

In de cilindrische ruimte waar de schroef zit

b)

In de matrijs

c)

In de trechter boven de schroef

d)

Voor de korrels in de trechter gaan worden de korrels gesmolten

99.

Bij blazen van kunststoffen wordt

a)

Een parison van verwarmd polymeer als basis gebruikt

b)

een thermoharder hergebruikt door hier schuim van te maken met een inert gas

c)

een schuim gevormd door opwarmen van de crosslinks in de polymeer

d)

Laag per laag een object gevormd uit expanderende blaasvormige polyfenolketens

100.

Waar worden de thermoplastische korrels toegevoegd bij rotatiegieten?

a)

De korrels worden in de matrijs geladen voor het rotatiegietproces begint

b)

De korrels worden tussen de open rollen verspreid

c)

De korrels worden samen met de lucht in de kamer geblazen

d)

De korrels worden via een schroefsysteem in de matrijs geduwd

101.

Plastic wegwerpzakken worden gemaakt door

a)

middel van blaasfolie extrusie

b)

het kalenderen van de kunststof tussen grote rollen tot een heel dunne laag die dan aan elkaar gesmolten wordt aan de zijkanten

c)

het spuitgieten van dunne platen thermoplasten die verder plat gerold worden tot zakken

d)

vacuumvormen van de zakken

102.

Bij SLA wordt gebruik gemaakt van

a)

een laser die fotopolymeer uithard in een vloeistofbad

b)

een kleine spuitmond-extruder die materiaal laag per laag opbouwd op een X-Y-tafel

c)

poeder dat met een laser belicht wordt

d)

folie die over een in hoogte verstelbare tafel uitgesneden wordt met een laser

103.

Bij FDM wordt gebruik gemaakt van

a)

een kleine spuitmond-extruder die materiaal laag per laag opbouwd op een X-Y-tafel

b)

poeder dat met een laser belicht wordt

c)

een laser die fotopolymeer uithard in een vloeistofbad

d)

folie die over een in hoogte verstelbare tafel uitgesneden wordt met een laser

104.

Bij SLS wordt gebruik gemaakt van

a)

poeder dat met een laser belicht wordt

b)

een laser die fotopolymeer uithard in een vloeistofbad

c)

folie die over een in hoogte verstelbare tafel

105.

Bij SLS wordt gebruik gemaakt van

a)

poeder dat met een laser belicht wordt

b)

een laser die fotopolymeer uithard in een vloeistofbad

c)

folie die over een in hoogte verstelbare tafel uitgesneden wordt met een laser

d)

een kleine spuitmond-extruder die materiaal laag per laag opbouwt op een X-Y-tafel

106.

Bij LOM wordt gebruik gemaakt van

a)

folie die over een in hoogte verstelbare tafel uitgesneden wordt met een laser

b)

poeder dat met een laser belicht wordt

c)

een laser die fotopolymeer uithard in een vloeistofbad

d)

een kleine spuitmond-extruder die materiaal laag per laag opbouwt op een X-Y-tafel

107.

FDM is de afkorting voor

a)

Fussed Deposition Modelling

b)

Finate Deposited Material

c)

Fenolhars Decompositie Materiaal

d)

Fusing Decomposited Modelling

108.

SLS is de afkorting voor

a)

Selective Laser Sintering

b)

(super)snel Laser snijden

c)

Selective Layer smelting

d)

Smelting layer stacking

109.

Thermohardende polymeren kunnen...

a)

niet opnieuw gesmolten worden

b)

opnieuw gesmolten worden

c)

dienen als grondstof voor thermoplasten

d)

gerecycleerd worden

110.

Tijdens de productie van thermohardende polymeren wordt

a)

Visceus A-stadiumhars afgekoeld en als vaste stof vermalen tot poeder

b)

A-stadiumhars, B-stadiumhars en C-stadiumhars gemengd tot er crosslinking optreed

c)

A-stadiumhars opgelost in water om het in vloeibare vorm (visceus) te mengen met B-stadiumhars waardoor C-stadiumhars ontstaat dat uithard

d)

een thermoplastische kunststof vermalen onder vacuüm om zo crosslinking te maken tussen A-, B en C-stadiumharsen die ontstaan

111.

Wat is het verschil tussen spuiten van afgekorte vezels en handlamineren?

a)

Spuiten van vezels is veel sneller

b)

Handlamineren is veel sneller

c)

Spuiten van vezels zorgt voor een verstevigend eƯect t.o.v. handlamineren

d)

Handlamineren zorgt voor een verstevigend eƯect t.o.v. spuiten

112.

Bij welke temperatuur word keramiek vloeibaar?

a)

Keramiek wordt niet vloeibaar

b)

500°C

c)

1000°C

d)

Altijd meer dan 2500°C

113.

Keramieken

a)

zijn heel hard en heel stijf

b)

hebben een lage dichtheid

c)

hebben een laag smeltpunt en lage gebruikstemperatuur

d)

zijn goed plastisch vervormbaar

114.

Corrosie bij keramische materialen is vergelijkbaar met corrosie van ...

a)

Glas

b)

Staal

c)

PVC

d)

Fenolharsen

115.

Wanneer gesmolten glas afgekoeld wordt

a)

moet men steeds temperen om de inwendige spanningen te verwijderen

b)

zal de afmeting ervan nauwelijks wijzigen

c)

verloopt de temperatuurdaling in het glas lineair tot omgevingstemperatuur

d)

kan men de breekbaarheid ervan beperken door er zacht op te tikken - hierdoor worden de - kristallen die gevormd worden geheroriënteerd

116.

Grafiet kan bekomen worden door

a)

onvolledige verbranding van steenkool of winning in mijnen

b)

onvolledige verbranding van petroliumproducten

c)

versmelten van roetdeeltjes tot een viscueze massa die vervolgens gebakken wordt

d)

sintering van staal waardoor het koolstof in het staal vrijkomt als grafiet

117.

Gecementeerde carbiden

a)

zijn een composiet van metaal en keramiek

b)

worden gevormd door lassen van roestvrij staal

c)

worden ook zacht staal genoemd

d)

zijn minder hard dan gereedschapsstaa

118.

Ruwijzer is

a)

Hogekoolstofijzer

b)

Staal plus silicaten

c)

IJzer plus cokes

d)

Staal in blokvorm

119.

Hoeveel koolstof bevat staal?

a)

Tussen 0,06% en 2%

b)

Meer dan 2%

c)

Minder dan 0,06%

d)

Tussen 2% en 5%

120.

In welke installatie kan staal geraffineerd worden?

a)

Hoogoven

b)

Oxystaaloven

c)

Cokesoven

d)

Sinteroven

121.

Welk gas is het belangrijkste in een oxystaalproces?  

a)

Zuurstof

b)

Argon

c)

Stikstof

d)

Koolstofdioxide

122.

Welke bewering is juist?           

a)

In een elektro-oven wordt zuurstof ingeblazen.

b)

In een elektro-oven wordt argon gebruikt ter bescherming van de hittebestendige wandelementen.

c)

Het Bessemerproces maakt het mogelijk om zuurstof uit het staal te halen.

d)

Door segregatie stolt een blok staal in 1 keer.

123.

Wat is segregatie?        

a)

Een variatie van chemische eigenschappen die ontstaat door het stollen van staal.

b)

Het inzakken van staal door stollen.

c)

Het wegtrekken van koolstofmonoxide uit staal bij het stollen.           

d)

Het opdelen van staal in kristallen.

124.

Wat zijn slinkholten?

a)

Holten die ontstaan bij het stollen van staal door het krimpen van het staal

b)

Fouten in kristallen van staal  

c)

Kristalgrenzen in staal

d)

Ongekalmeerde staalsoorten

125.

Welke vorm kan niet gemaakt worden bij het continugieten van staal?           

a)

Gietblokken

b)

Bloemen

c)

Knuppels

d)

Plakken

126.

Wat zijn dendrieten?    

a)

Ketens van ijzeratomen die gevormd worden door monomeren.        

b)

3D kristallen die ontstaan bij het stollen van staal.

c)

Insluitingen van koolstofdioxide in staal.

d)

Stapels van slinkholten die ontstaan bij het stollen van staal.

127.

Wat zal je bij koudwalsen van staal steeds hebben     

a)

Maximaal 10 tot 20% wijziging van de vorm bij elke stap/walsrol. 

b)

Rekristallisatie van de samengedrukte kristallen.

c)

Slechte oppervlakteafwerking door de zwarte aanslag op het staal.  

d)

Roodgloeiend staal.

128.

Rekristallisatie

a)

Treedt spontaan op bij warmwalsen

b)

Treedt op bij afschrikken van het staal

c)

Is de vorming van dendrieten in het staal

d)

Is het verminderen van koolstofdioxide in het staal

129.

Wat is een eutectische samenstelling

a)

Een mengsel van meerdere metalen met 1 smeltpunt zoals een zuiver materiaal

b)

Een mengsel van 3 of 4 metalen

c)

100% alfa fase en 100% beta fase tegelijk voor een mengsel van 2 materialen

d)

Een interstitiële diffusie van koolstof in ijzer

130.

Welk is geen evenwichtspunt in het fasediagram van staal

a)

Austenietisch

b)

peritectisch

c)

eutectisch

d)

eutectoïdisch

131.

GRAFIEK - Wanneer vloeistof van 2,5% koolstof in staal langszaam afgekoeld wordt, ontstaan kristallen van

a)

Perliet en ijzercarbide

b)

Feriet en perliet

c)

Austeniet en martensiet

d)

Ferriet en bainiet

132.

Martensiet wordt gevormd door

a)

snel afkoelen van austeniet van boven de hardingstemperatuur tot omgevingstemperatuur

b)

langzaam afkoelen van perliet boven de curietemperatuur tot omgevingstemperatuur

c)

opwarmen van staal tot het smeltpunt om dan koolstof toe te voegen

d)

opwarmen van ijzercarbide tot 1148° (eutectisch)

133.

wie heeft graag komkommer

a)

lukas zijn mond

b)

mateo zijn mond

c)

lukas zijn anus

d)

mateo zijn anus

134.

Naar welke structuur gaat staal over bij het harden (als er voldoende koolstof in zit)?

a)

BCT waardoor koolstof gevangen zit

b)

FCC omdat er meer koolstof in vastgehouden kan worden

c)

BCC omdat dit de veiligste keuze is

d)

BCC omdat dit het minst koolstof kan vasthouden

135.

Wat gebeurd er wanneer staal bij het harden niet snel (genoeg) afgekoeld wordt

a)

-Er ontstaat een zachtere structuur die ook wel perliet genoemd wordt

b)

-Het staal wordt roodgloeiend, ook wel de kersrode gloeitemperatuur genoemd

c)

Er ontstaan BCT kristallen waarin het koolstof gevangen zit   

d)

Het staal wordt blauw

136.

Bij diffusiebehandeling van staal wordt staal hardbaar gemaakt door

a)

op hoge temperatuur koolstof toe te voegen aan het staal in een met koolstof verzadigde atmosfeer

b)

-staal op te warmen tot de kersrode gloeitemperatuur en langzaam af te koelen in een oliebad 

c)

staal af te koelen met vloeibaar stikstof om zo een beschermlaag te krijgen aan de buitenkant

d)

vlamharden

137.

Een diffusiebehandeling van staal is geschikt om

a)

-staal met weinig koolstof hardbaar te maken

b)

de kleur van staal te wijzigen in een mooie blauwe kleur

c)

staallegeringen met chroom (roestvrij staal) te maken

d)

staal makkelijker te recycleren in een oxystaaloven

138.

Wat is een mogelijk nadeel van stikstofdiffusiebehandeling

a)

-De vorming van een brosse witte laag

b)

-Het kan op lagere temperaturen gedaan worden        

c)

-Afschrikken is niet nodig         

d)

-De nitrideschil kan harder zijn dan gecarboneerd staal

139.

Wat is een nadeel van stikstofdiffusiebehandeling?    

a)

Volumevergroting door toename van materiaal

b)

Korte procestijd

c)

Het kan op lagere temperaturen gedaan worden

d)

Afschrikken is niet nodig

140.

Wat is veredelen van staal?     

a)

Een combinatie van harden en hoog ontlaten

b)

-Het aanbrengen van een dunne nitridelaag

c)

Dit is hetzelfde als boreren van staal

d)

Dit is hetzelfde als chromeren

141.

Waarom wordt staal ontlaten

a)

Om de taaiheid van het staal te verbeteren na een hardingsproces via afschrikken

b)

Om het staal te harden

c)

Om de hardheid van het staal volledig te verwijderen

d)

Om de hoeveelheid stikstof in het staal te vergroten

142.

Wat is gloeien van staal

a)

Opwarmen van staal tot austenitiseringstemperatuur om dan langzaam af te koelen

b)

Opwarmen van zacht staal om het te kunnen harden

c)

Opwarmen van staal tot het smeltpunt om dan koolstof toe te voegen

d)

Opwarmen van staal tot het blauw kleurt