NEW
Font size
Worksheetsstart_fr 1A
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
un frère
een broer
een zus
een vriend
een neef
une année
een jaar
een maand
een dag
een uur
un ami
een vriend
un ennemi
un collègue
un voisin
une sœur
een zus
een broer
een moeder
een tante
être sympa
sympathiek zijn
vriendelijk zijn
leuk zijn
gezellig zijn
ne ... personne
niemand
jemand
alle
niemanden
être chez (+ personne)
bij (iemand) zijn
met (iemand) zijn
voor (iemand) zijn
na (iemand) zijn
un père
een vader
een moeder
een broer
een zus
premier, première
eerste
second
tertiary
final
une voisine
een buurvrouw
een buurman
een vriendin
een collega
un directeur
een directeur
een leraar
een student
een manager
un cousin
een neef
een oom
een tante
een broer
une mère
een moeder
een vader
een zus
een broer
un prénom
een voornaam
een achternaam
een titel
een bijnaam
être en ligne
online zijn
offline zijn
in de lucht zijn
aanwezig zijn
une directrice
een directrice
een directeur
een lerares
een manager
parler
spreken
comunicarse
parlare
parlar
deuxième
tweede
secondo
zwei
dos
un élève
een leerling(e)
een student
een leraar
een klasgenoot
seul, seule
alleen
together
happy
sad
