wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Consumentenpsychologie MC Quiz

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke omschrijving past het best bij Systeem 1?

a)

Langzaam, inspannend, regelgeleid en reflectief

b)

Snel, automatisch, associatief en moeiteloos

c)

Altijd rationeel en weloverwogen

d)

Alleen actief bij complexe keuzes

2.

Welk voorbeeld illustreert de availabilitybias?

a)

Een consument kiest de goedkoopste optie na alle reviews te hebben gelezen

b)

Iemand overschat de kans op een vliegtuigcrash nadat een nieuwsreportage

c)

Iemand kiest een product met de hoogste expert-score in een vergelijkingstest

d)

Een consument kiest willekeurig omdat hij tijdsdruk ervaart

3.

Wat kenmerkt de conjunctieve beslissingsregel?

a)

Eén superieure eigenschap volstaat om te kiezen

b)

Zwakke eigenschappen kunnen worden gecompenseerd

c)

Alleen alternatieven die minimale eisen halen blijven over

d)

Eigenschappen worden gewogen en opgeteld

4.

Welke uitspraak over compenserende vs. niet-compenserende regels is juist?

a)

Bij compenserend kan een zwakte nooit worden goedgemaakt

b)

Niet-compenserende regels passen gewichten toe op alle attributen

c)

Compenserend kan een zwakte compenseren met een sterkte

d)

Beide typen leveren altijd dezelfde keuze op

5.

Wat is de ‘overwegingsverzameling’ (consideration set)?

a)

Alle merken op de markt

b)

Alle merken die iemand ooit heeft gezien

c)

De merken die actief overwogen worden

d)

De merken die doelbewust worden afgewezen

6.

Welke volgorde van fasen beschrijft de consumptiecyclus het best?

a)

Gebruik → Aankoop → Oriëntatie → Afdank

b)

Oriëntatie → Aankoop → Gebruik → Afdank

c)

Aankoop → Afdank → Gebruik → Oriëntatie

d)

Oriëntatie → Gebruik → Afdank → Aankoop

7.

Een consument voelt na een dure aankoop twijfel over zijn keuze. Wat is dit?

a)

Selectieve perceptie

b)

Cognitieve dissonantie

c)

Primacy-effect

d)

Endowment-effect

8.

Wat is een praktische implicatie van ‘awareness set’ in merkkeuze?

a)

Alleen prijs bepaalt keuze

b)

Zonder bekendheid niet overwogen

c)

Lage prijs compenseert onbekendheid volledig

d)

Bekendheid is pas relevant na de koop

9.

Over beslissingen: wat geldt meestal in het dagelijks leven?

a)

De meeste beslissingen zijn weloverwogen en traag

b)

De meeste beslissingen zijn snel en gebaseerd op heuristieken

c)

Bij consumentenbeslissingen is Systeem 2 vrijwel altijd dominant

d)

Heuristieken leiden zelden tot goede keuzes

10.

Welke factor beïnvloedt het tevredenheidsoordeel ná aankoop volgens het college?

a)

De prijs is altijd bepalend

b)

Aantal winkels in de buurt

c)

Verwachtingen vooraf

d)

Het aantal merknamen dat je kent

11.

Welke behoort níét tot de drie basisbehoeften van de Deci & Ryan’s Zelf determinatie Theorie?

a)

Autonomie

b)

Competentie

c)

Verbondenheid

d)

Status

12.

Wat is juist over het ERG model van Alderfer t.o.v. Maslow’s Pyramide?

a)

ERG heeft meer niveaus, en erkent een striktere hiërarchie

b)

ERG heeft drie clusters en erkent verschillen in hiërarchie

c)

ERG heeft dezelfde inhoud, maar gebruikt andere termen

d)

Het ERG model is empirisch bewezen en het model van Maslow niet

13.

Welke volgorde past bij Maslow (laag → hoog)?

a)

Veiligheid → Fysiologisch → Waardering → Sociale → Zelfverwerkelijking

b)

Fysiologisch → Veiligheid → Sociaal → Waardering → Zelfverwerkelijking

c)

Sociaal → Fysiologisch → Waardering → Veiligheid → Zelfverwerkelijking

d)

Fysiologisch → Sociaal → Veiligheid → Waardering → Zelfverwerkelijking

14.

Welke is een push-factor (i.p.v. pull) volgens Valkeneers?

a)

Ambitie om te groeien

b)

Aantrekkelijke eigenschap

c)

Interne spanning

d)

Sociale bevestiging

15.

Wat beschrijft ‘frustratie’ in motivatiecontext het best?

a)

Het verhoogt motivatie in bijna alle gevallen

b)

Het heeft geen rol; het leidt eigenlijk alleen tot cognitieve fouten

c)

Het is alleen relevant bij luxeproducten

d)

Het blokkeert doelen vanwege mogelijk agressie/regressie

16.

Wat verbindt attributen en waarden met elkaar in de Means‑End Chain in marketing?

a)

Consequenties verbinden attributen met waarden/doelen

b)

Waarden worden vertaald naar productprijzen

c)

Functionele producteigenschappen maken dat mensen waarden koppelen aan attributen

d)

Waarden staan los van de means‑end chain en dus worden attributen niet verbonden met waarden.

17.

Wat is het doel van een laddering‑interview?

a)

Prijsacceptatie meten

b)

Eigenschappen rangschikken

c)

Doorvragen naar waarden

d)

Merkbekendheid in kaart brengen

18.

Welk drietal hoort bij McClelland?

a)

Autonomie, competentie, verbondenheid

b)

Intrinsiek, extrinsiek, amotivatie

c)

Zekerheid, status, veiligheid

d)

Prestatie, affiliatie, macht

19.

Welke boodschap bedreigt vooral de autonomie (ZDT)?

a)

“Je moet nu bestellen, anders faal je.”

b)

“Ontdek op je eigen tempo welke functies jij nodig hebt.”

c)

“Stel je set samen.”

d)

“Kies de versie die jij wilt.”

20.

Wat bedoelt ZDT met ‘competentie’?

a)

Bekwaam omgaan met je omgeving

b)

Sociale erkenning verkrijgen

c)

Beloond worden per prestatie

d)

Risico’s vermijden

21.

Wat is de absolute gewaarwordingsdrempel?

a)

Het verschil dat je in 50% van de gevallen net kunt opmerken

b)

Het minimale niveau dat in 50% van de gevallen tot sensatie leidt

c)

Het niveau waarop sensorische adaptatie optreedt in 50% van de gevallen

d)

De minimale drempel voor top-down verwerking in 50% van de gevallen

22.

Welk beeld past bij closure (Gestalt)?

a)

Pijltjes in een raster vallen op

b)

Onvolledige vormen worden tot een gesloten figuur aangevuld

c)

Voorwerpen dichtbij elkaar worden als groep gezien

d)

Een lijn lijkt door te lopen ondanks onderbreking

23.

‘Gelijkenis’ (Gestalt) betekent dat we…

a)

Elementen met vergelijkbare kenmerken groeperen

b)

De eenvoudigste interpretatie van groepen vermijden

c)

Altijd de achtergrond negeren

d)

Alleen kleur gebruiken voor groepering

24.

Kies het juiste voorbeeld van top-down verwerking.

a)

Een plots hete peper proeven en schrikken

b)

Een onverwacht alarm horen

c)

Je sleutels zoeken door terug te denken aan de laatste plek

d)

Een tint in een kleurwaaier net opmerken

25.

Welke indeling van het langetermijngeheugen is correct?

a)

Zintuiglijk – Kortetermijn – Procedureel

b)

Procedureel – Episodisch – Semantisch

c)

Zintuiglijk – Episodisch – Semantisch

d)

Semantisch – Kortetermijn – Procedureel

26.

Welke strategie bevordert elaboration bij coderen?

a)

Losse sleutelwoorden random herhalen en inslijten

b)

Nieuwe info verbinden met persoonlijke voorbeelden

c)

Alleen fluisteren tijdens het leren zodat je auditieve input hebt

d)

Weglaten van context

27.

Waarom wordt storytelling in marketing gebruikt?

a)

Het voorkomt de meeste vormen van biasvorming

b)

Verhalen helpen om herinnering te versterken

c)

Het is uitsluitend entertainment en sensorische input

d)

Het vervangt gedetailleerde productinformatie

28.

Wat is een subliminale stimulus?

a)

Een prikkel boven de absolute drempel

b)

Een prikkel onder de absolute drempel

c)

Een prikkel die enkel auditief is

d)

Een prikkel die adaptatie negeert

29.

Wat illustreert sensorische adaptatie?

a)

Een constante geur valt na verloop van tijd minder op

b)

Een nieuw logo valt steeds meer op hoe vaker je het ziet

c)

Je merkt meteen elk klein prijsverschil zodra je het waarneemt

d)

Je onthoudt automatisch alle reclames in je insta-feed

30.

Wat is een voorbeeld van kruismodaliteit?

a)

Felgekleurde verpakking beïnvloedt ervaren smaak

b)

Een hogere prijs beïnvloedt de kwaliteitservaring

c)

Een lange tekst lijkt betrouwbaarder over te komen

d)

Een breder winkelpad voelt voller dan een smal winkelpad