wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B-test (grammatica)

Total questions: 10

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Maak een zin met want :

Thomas spreekt heel goed Nederlands; hij heeft twee jaar in Nederland gestudeerd.

(a)  

2.

Maak een zin met omdat:

Brigitte wil niet naar de bioscoop gaan; ze is te moe

(a)  

3.

Ken je Sara? Het meisje [...] in Brussel woont.

a)

die

b)

dat

4.

Maak een zin met die of dat :

Ik heb een hond. Mijn hond heet Luka.

(a)  

5.

Maak een zin en gebruik om ... te :

Ik ga naar het station en ik bestel een schoolabonnement.

(a)  

6.

Maak een zin en gebruik om ... te :

Louis schrijft naar zijn vriendin en nodigt haar uit.

(a)  

7.

Vervoeg in de ovt:

Gisteren (begrijpen) ik je niet.

(a)  

8.

Vervoeg in de ott:

Jij (vinden) je boek niet.

(a)  

9.

Vervoeg in de vtt:

doen: Wat ... je gisteren ... ?

(a)  

10.

Vervoeg in de ovt:

Vorige weken (eten) we pizza's aan de zee.

(a)