Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

CB1 thema 1 BS 1

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

7. Wat is de definitie van 'biologie' volgens de tekst?

a)

A.

De wetenschap van de Griekse woorden

b)

B.

De leer van het leven

c)

C.

De studie van de dood

d)

D.

De leer van de natuur

2.

3. Worden mensen tot de dieren gerekend in de biologie?

a)

A.

Nee, de tekst zegt dat mensen organismen zijn, geen dieren.

b)

B.

Alleen als ze in de natuur leven.

c)

C.

Ja, volgens de leer van de biologie.

d)

D.

Nee, mensen zijn aparte wezens.

3.

Hoeveel keer moet een goede loep ongeveer vergroten volgens de tekst?

a)

a) 2 keer

b)

b) 5 keer

c)

c) 10 keer

d)

d) 50 keer

4.
  1. 14. De aap eet de mango. Welk levensverschijnsel is dat?

a)

a) Waarnemen

b)

b) Voeden

c)

c) Ademhalen

d)

d) Uitscheiden

5.

Wat moet je doen om een scherp beeld te krijgen met de loep?

a)

a) De loep ver van je oog houden.

b)

b) Het voorwerp ver van de loep houden.

c)

c) De loep dicht bij je oog houden en het voorwerp naar de loep brengen.

d)

d) Zowel de loep als het voorwerp ver weghouden.

6.

2. Wat is een organisme volgens de tekst?

a)

A.

Een levenloos voorwerp

b)

B.

Een ander woord voor levend wezen

c)

C.

Een dier, maar geen mens of plant

d)

D.

Iets dat dood is

7.
  1. 12. Welk levensverschijnsel wordt in de tekst beschreven wanneer de aap een mango ziet, voelt en ruikt?

a)

a) Voeden

b)

b) Ademhalen

c)

c) Waarnemen

d)

d) Uitscheiden

8.

6. Wat is een van de levensverschijnselen die in de tekst wordt genoemd?

a)

A.

Zingen

b)

B.

Praten

c)

C.

Ademen

d)

D.

Zwemmen

9.
  1. 18. Wat kan een volwassen aap doen om voor nieuwe aapjes te zorgen?

a)

a) Zich voortplanten

b)

b) Zich voeden

c)

c) Zich uitscheiden

d)

d) Zich bewegen

10.

Een aap slingerend van tak naar tak om bij een mango te komen, is een voorbeeld van welk levensverschijnsel?

a)

a) Voortplanten

b)

b) Bewegen

c)

c) Groeien

d)

d) Uitscheiden

11.
  1. 15. Hoe haalt de aap adem?

a)

a) Met zijn ogen

b)

b) Met zijn mond

c)

c) Met zijn longen

d)

d) Met zijn armen

12.

5. Wat is een voorbeeld van een 'levenloos' voorwerp volgens de tekst?

a)

A.

Een steen

b)

B.

Een mens

c)

C.

Een boom

d)

D.

Een vis in een sloot

13.

10. Wat is het verschil tussen iets dat dood is en iets dat levenloos is, volgens de tekst?

a)

A.

Iets dat dood is, heeft ooit geleefd, en iets dat levenloos is, heeft nooit geleefd.

b)

B.

Dood is een fase in het leven, en levenloos is een blijvende toestand.

c)

C.

Iets dat levenloos is, kan weer levend worden, en iets dat dood is, niet.

d)

D.

De termen betekenen hetzelfde en er is geen verschil.

14.

Welk instrument kun je gebruiken om nog kleinere organismen te bekijken?

a)

a) Een loep

b)

b) Een verrekijker

c)

c) Een microscoop

d)

d) Een camera

15.

8. Wat behoort tot de organismen volgens de tekst?

a)

A.

Alleen planten

b)

B.

Mensen, dieren en planten

c)

C.

Enkel mensen en dieren

d)

D.

Levende wezens, maar geen organismen

16.

4. Wat gebeurt er als een organisme geen levensverschijnselen meer vertoont?

a)

A.

Het verandert in een plant.

b)

B.

Het wordt een levenloos voorwerp.

c)

C.

Het wordt 'dood' genoemd.

d)

D.

Het wordt een organisme zonder levensverschijnselen.

17.

9. Wat is het verschil tussen iets dat 'dood' is en iets dat 'levenloos' is, volgens de tekst?

a)

A.

Dood is tijdelijk. Levenloos niet.

b)

B.

Levenloos is een levend wezen zonder levensverschijnselen.

c)

C.

Dood is een eigenschap van planten, levenloos van dieren.

d)

D.

Iets dat dood is, heeft ooit geleefd, en iets dat levenloos is, heeft nooit geleefd.

18.
  1. 11. Welk woord wordt gebruikt voor de kenmerken die een levend wezen vertonen?

a)
  1. a) Dieren

b)
  1. b) Organen

c)
  1. c) Levensverschijnselen

d)
  1. d) Kenmerken

19.

1. Van welke twee Griekse woorden is het woord 'biologie' afgeleid?

a)

A.

Bios en logos

b)

B.

Organisme en natuur

c)

C.

Leven en wetenschap

d)

D.

Bio en logisch

20.

Wat kun je gebruiken om iets beter te zien als het te klein is voor het blote oog?

a)

a) Een bril

b)

b) Een vergrootglas (loep)

c)

c) Een telescoop

d)

d) Een lamp