wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T3 H1

Total questions: 26

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Basisbehoeften, zoals kleding & eten behoren tot de (a)   behoeften

2.

Frisse lucht is een voorbeeld van

a)

Een vrij goed

b)

Een schaars goed

c)

Een lucht goed

3.

​ ​ ​ ​Kies het juiste begrip: Goederen die beperkt beschikbaar zijn​ ​ ​ ​ ​

a)

Schaarse goederen

b)

Vrije goederen

c)

Zelfvoorziening

d)
Gratis toegang tot alles
4.

(a)   Is de mate waarin je gezond bent

5.

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien noemen we (a)  

6.

Thijs verdiend 1300 euro in de maand. Na een gesprek met zijn baas is dit omhoog gegaan naar 1500 euro. Met hoeveel procent is zijn loon gestegen?

(a)  

7.

Joke verkoopt sieraden. Na een onderzoekje heeft zij de prijs voor armbanden op 40 euro geprijsd.

Bij welk onderdeel van de marketingmix hoort dit?

a)

Plaats

b)

product

c)

Prijs

d)

Promotie

e)

Personeel

8.

Commerciele reclame is erop gericht

a)

Om mensen te informeren

b)

om mensen te laten nadenken over ideeen

c)

Een positieve indruk van een merk achter te laten

d)

Om producten te verkopen

9.

Shoestore geeft korting op schoenen. Voor PME Legend schoenen krijg je 35 euro korting. De oude prijs was 90 euro. Hoeveel procent korting krijg je?

(a)  

10.

Het Nibut is een instituut waarbij

a)

Jij je schulden kan aflossen

b)

Je kunt advies krijgen over geldzaken

c)

Je kunt advies krijgen over beleggen

11.

Een voorbeeld van een overdrachtsinkomen is

a)

Loon

b)

Rente

c)

Huur

d)

Pacht

e)

Uitkering

12.

Onder incidentele uitgaven valt:

a)

Boodschappen

b)

verzekering

c)

Kapotte wasmachine

d)

sport

13.

Per maand verdiend Sam €3.200 euro. Hoeveel is dit omgerekend per week?

(a)  

14.

De gemiddelde prijsdaling van producten noemen we

a)

Deflatie

b)

Inflatie

c)

Koopkracht

15.

Wanneer de prijzen van producten meer stijgen dan het loon, dan ​ ​ (a)   de koopkracht

Choose from the below words
Daalt
stijgt
16.

Wat wordt bedoeld met het modaal inkomen?

a)

Het gemiddelde inkomen

b)

Het hoogste inkomen

c)

Het laagste inkomen

d)

Het meest voorkomende inkomen

17.

Wanneer je inkomen met 4% stijgt en de inflatie is dat jaar 3 % dan​ (a)   je koopkracht.

Choose from the below words
Stijgt
daalt
18.

Door het kopen van ​ (a)   leen je geld uit aan de overheid

Choose from the below words
obligaties
aandelen
19.

De Audi van Hisse & Noud is een paar jaar oud. Ze verwachten nog 5 jaar in de auto te rijden en deze dan te verkopen voor €9.500. Ze willen dan een andere auto kopen voor €25.000.

 Hoeveel moeten Hisse en Noud per maand reserveren om over 5 jaar de auto te kunnen kopen?

(a)  

20.

Een termijnbedrag bestaat uit de volgende 2 onderdelen

a)

Obligaties en aandelen

b)

Rente en aflossing

c)

aflossing en aandelen

d)

Obligaties en rente

21.

Wanneer je bij de winkel een product maakt, maak je gebruik van de volgende geldfunctie:

a)

Ruilmiddel

b)

Rekenmiddel

c)

Spaarmiddel

22.

Kies het juiste begrip bij de volgende situatie: Je bent bij de sportvereniging en wilt je drankje betalen. Je hebt geen contant geld bij je, dus reken je af met je pinpas. Deze vorm van geld wordt ook wel .......... genoemd

a)

Giraal geld

b)

Chartaal geld

23.

Vaste kosten​ (a)   mee met de productie

Choose from the below words
veranderen niet
veranderen wel
24.

inkoopkosten & energiekosten zijn een voorbeeld van

a)

Vaste kosten

b)

Variabele kosten

25.

Aantal producten: 3.500 stuks

Vaste kosten €10.200

Variabele kosten €14.000

Bereken de kostprijs per product

a)

€6,70

b)

€6,91

c)

€6,97

d)

€6,56

26.

Veel aanbieders en een homogeen product zijn kenmerken van

a)

volkomen concurrentie

b)

monopolie

c)

monopolistische concurrentie

d)

oligopolie