Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen H1: Europa en de wereld tot 1939 (3H)

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Mobiliseren

a)

Het proces van mobilisatie, waarbij soldaten verzamelen, wapens krijgen en klaar staan om oorlog te voeren.

b)

Een strategie om diplomatieke relaties te verbeteren tussen landen.

c)

Een methode om voedselvoorraden te beheren tijdens een oorlog.

d)

Een techniek voor het trainen van soldaten in gevechtsvaardigheden.

2.

Republikeinse Partij

a)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die links-progressief is.

b)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die rechts-conservatief en liberaal is.

c)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die zich richt op internationale samenwerking.

d)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die alleen lokaal actief is.

3.

Russische Burgeroorlog

a)

Oorlog in Rusland tussen Witte- en Rode legers van 1917 tot 1922, gewonnen door het Rode Leger.

b)

Een conflict tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie tijdens de Koude Oorlog.

c)

Een strijd tussen verschillende Europese landen in de 19e eeuw.

d)

Een burgeroorlog in Frankrijk tussen royalisten en republikeinen.

4.

Republiek

a)

Een land met een koning.

b)

Een land zonder vorst (=koning/ keizer), maar met een gekozen leider.

c)

Een land dat wordt bestuurd door een militaire junta.

d)

Een land waar de president levenslang aan de macht is.

5.

Brest-Litovsk (vrede van)

a)

Vredesverdrag getekend in maart 1918 tussen Duitsland en Rusland/ Lenin, waardoor de Rusland niet meer meevocht in de Eerste Wereldoorlog.

b)

Een overeenkomst tussen de Verenigde Staten en Duitsland in 1919.

c)

Een verdrag dat de Tweede Wereldoorlog beëindigde.

d)

Een pact tussen Frankrijk en Rusland in 1917.

6.

Modern Imperialisme

a)

Ideologie die streeft naar het vergroten van het grondgebied van het land door overzeese gebieden (koloniën) toe te voegen als onderdeel van de staat.

b)

Een systeem waarbij landen samenwerken om economische voordelen te behalen.

c)

Een filosofie die pleit voor de onafhankelijkheid van koloniale gebieden.

d)

Een politieke beweging die zich richt op het behoud van traditionele waarden.

7.

Oostfront

a)

Front waar gevochten werd tussen Rusland en de Centralen. In tegenstelling tot het westfront was dit wel een beweeglijk front waarbij gebieden werden veroverd.

b)

Een front waar voornamelijk de Verenigde Staten en Duitsland vochten.

c)

Een front dat zich bevond in het Midden-Oosten tijdens de Eerste Wereldoorlog.

d)

Een front dat nooit actief was tijdens de oorlog.

8.

Goelag

a)

Een type Russische dans

b)

Een systeem van werkkampen waar mensen verplicht moesten werken

c)

Een soort Russische literatuur

d)

Een historische stad in Rusland

9.

Fascisme

a)

Een democratische ideologie die de vrijheid van het individu benadrukt.

b)

Een totalitaire ideologie waarbij dictatuur, verheerlijking van de leider, geweld, extreem nationalisme, militarisme en modern-imperialisme een belangrijke rol speelt.

c)

Een sociaal-economisch systeem dat gebaseerd is op gelijkheid en solidariteit.

d)

Een politieke beweging die zich richt op internationale samenwerking en vrede.

10.

Democratische Partij

a)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die rechts-conservatief is.

b)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die links-liberaal is en eerder wil samenwerken met het buitenland dan de Republikeinse Partij.

c)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die zich richt op economische liberalisatie.

d)

Een politieke partij in de Verenigde Staten die zich voornamelijk richt op nationale veiligheid.

11.

Februarirevolutie

a)

Revolutie die in Rusland in februari 1917 plaatsvond, waarbij de tsaar moest aftreden en de Voorlopige Regering de macht overnam.

b)

Een militaire coup in Duitsland in 1918.

c)

Een sociale beweging in Frankrijk in 1789.

d)

Een economische crisis in de Verenigde Staten in 1929.

12.

Rassenleer

a)

Idee uit de 19e eeuw dat er onderscheid bestaat tussen mensen op basis van ras.

b)

Een theorie die stelt dat alle mensen gelijk zijn ongeacht hun ras.

c)

Een filosofische stroming die zich richt op de ontwikkeling van de menselijke geest.

d)

Een sociologische benadering die de invloed van cultuur op gedrag bestudeert.

13.

Nationaalsocialisme / Nazisme

a)

Een ideologie die alleen gericht is op economische groei.

b)

Een vorm van democratie die de macht aan het volk geeft.

c)

Een Duitse ideologie die racisme en militarisme benadrukt.

d)

Een religieuze beweging die zich richt op wereldwijde vrede.

14.

Dolkstootlegende

a)

Het idee dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog verloor door verraad.

b)

Een theorie dat Duitsland de oorlog won door strategische allianties.

c)

De overtuiging dat Duitsland de oorlog verloor door economische problemen.

d)

Een mythe dat Duitsland nooit de oorlog heeft gevoerd.

15.

Liberalisme

a)

Ideologie waarbij persoonlijke vrijheid het belangrijkste uitgangspunt is.

b)

Ideologie die pleit voor sterke overheidsbemoeienis in de economie.

c)

Ideologie die sociale gelijkheid boven persoonlijke vrijheid plaatst.

d)

Ideologie die zich richt op het behoud van traditionele waarden.

16.

Herstelbetalingen

a)

Een vorm van belasting die door de overheid wordt geheven.

b)

Een betaling die een land moet doen aan een ander land na een oorlog.

c)

Een subsidie die een land ontvangt van een internationale organisatie.

d)

Een lening die een land aangaat om zijn economie te herstellen.

17.

Untermenschen

a)

Een term die gebruikt wordt om mensen te beschrijven die als superieur worden beschouwd.

b)

Een concept dat verwijst naar mensen die als minderwaardig worden gezien volgens de rassenleer van het nationaalsocialisme.

c)

Een soort politieke ideologie die gelijkheid tussen rassen bevordert.

d)

Een historische term voor een groep mensen die in de middeleeuwen leefden.

18.

Totalitaire dictatuur

a)

Een systeem waar meerdere partijen de macht delen.

b)

Een staat waar één leider alles in het land bepaalt.

c)

Een democratisch systeem met vrije verkiezingen.

d)

Een regering die alleen op basis van religie regeert.

19.

Rode Leger

a)

Naam voor het leger van communistische landen.

b)

Een type militaire parade.

c)

Een organisatie voor vredeshandhaving.

d)

Een soort sportteam.

20.

Sovjet-Unie/USSR

a)

USSR is de afkorting van de Sovjetunie (U nie der S ocialistische S ovjet r epublieken)

b)

USSR staat voor United Socialist States of Russia

c)

USSR is een term voor de Unie van Sociale Republieken

d)

USSR betekent Unificatie van Sociale Regio's