Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

A2 H2

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan in welke opsomming alleen maar stofeigenschappen staan:

a)

kleur, massa, geur

b)

volume, brandbaarheid, smaak

c)

giftigheid, breekbaarheid, dichtheid

d)

vorm, inhoud, deeltjesgrootte

2.

De beste omschrijving van een stofeigenschap is:

a)

Een meetbare grootheid van die stof

b)

Eigenschap waaraan je een stof kunt herkennen

c)

Elke eigenschap die uniek is voor die ene stof

d)

Elke gevarensymbool op een stof

3.

Welke omschrijving bestaat niet onder de GHS-symbolen (gevarensymbolen)?

a)

corrosief

b)

licht ontvlambaar

c)

reducerend

d)

milieugevaarlijk

4.

Welk mengsel is een oplossing?

a)

melk

b)

mayonaise

c)

thee

d)

kwark

5.

Welk mengsel is een suspensie?

a)

koffie

b)

verf

c)

yoghurt

d)

cola

6.

Filtreren werkt doordat:

a)

Er een verschil in deeltjesgrootte is binnen het mengsel

b)

Opgeloste stoffen groter zijn dan het oplosmiddel

c)

water en olie niet goed mengen met elkaar

d)

vaste stof nooit kan oplossen in vloeistof

7.

Extraheren is het proces waarbij:

a)

bepaalde stoffen uit vaste stof worden opgelost in een vloeistof

b)

olie en water toch met elkaar gemengd worden met een hulpstof

c)

vaste stof gescheiden wordt van vloeistof in een suspensie

d)

zout uit zeewater wordt gehaald met warmte

8.

Een zuiver stof is een stof die:

a)

een vaste set stofeigenschappen heeft

b)

uit meerdere moleculen bestaat

c)

uit één soort molecuul bestaat

d)

als residu opgevangen kan worden

9.

Het filtraat is:

a)

het mengsel voordat het gefiltreerd wordt

b)

wat er op het filter achterblijft

c)

wat er door het filter heen loopt

d)

altijd een vaste stof

10.

het volume kan berekend worden met:

a)

1 methode en 3 formules

b)

3 formules

c)

2 formules

d)

1 formule

11.

de inhoud van een cilinder kan bepaald worden met de formule V =

a)

π2 ⋅ r ⋅ h

b)

h ⋅ r2 ⋅ π

c)

h2 ⋅ r ⋅ π

d)

√d ⋅ h ⋅ π

12.

Welke bewering is juist voor massa?

a)

alles heeft massa

b)

het gewicht is gelijk aan de massa

c)

massa is een stofeigenschap

d)

kan aangeven uit hoeveel moleculen een stof bestaat

13.

Als de dichtheid van voorwerp A twee keer zo groot is als de dichtheid van voorwerp B, welke bewering is dan juist?

a)

A heeft een tweemaal hogere massa dan B

b)

A heeft een tweemaal hoger volume dan B

c)

A heeft een tweemaal hogere massa en volume dan B

d)

A is van een ander materiaal gemaakt dan B

14.

De dichtheid van water bij 20 °C bedraagt ongeveer:

a)

0,001 kg/mL

b)

1000 kg/m3

c)

1 mg/cm3

d)

100 g/L

15.

Welk voorwerp zal drijven op het water?

a)

koperen kubus

b)

bol van zwart ebbenhout

c)

kegel van marmer

d)

pyramide van piepschuim