wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO 6 Elektromagnetisme

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Door met een ballon over een wollen trui te wrijven raakt een ballon elektrisch geladen. De lading van de ballon wordt hierbij -3,1 pC. Bereken hoeveel elektronen er zijn overdragen van de trui naar de ballon.

a)
30000000
b)
25000000
c)
19375000
d)
15000000
2.

Twee geladen bollen A en B staan op een vaste afstand van 0,80 m van elkaar. De lading van bol A is +40 μC. De lading van bol B is +95 μC. Emiel wil een derde lading (p) ergens tussen A en B plaatsen, zodaning dat de aantrekkende krachten elkaar in evenwicht houden en de lading op zijn plaats blijft. Op welke afstand van bol A moet Emiel lading p hiervoor plaatsen?

a)
0.10 m
b)
0.50 m
c)
0.75 m
d)

0.31 m

3.

Hieronder staan 3 uitspraken over elektrische veldlijnen. Welke van deze uitspraken zijn waar?


A Veldlijnen lopen altijd op dezelfde afstand van elkaar

B Veldlijnen zijn altijd recht

C In vacuüm lopen nooit veldlijnen

a)
Veldlijnen zijn altijd gebogen
b)
Geen van de uitspraken is waar.
c)
Veldlijnen kunnen elkaar kruisen
d)
Veldlijnen geven de richting van de elektrische stroom aan
4.


Op voorwerp met een elektrische lading van +1,1 C werkt een elektrische kracht met een grootte van 55 N. Hoe groot is de veldsterkte op de plaats waar het voorwerp zich bevindt?

a)
100 N/C
b)
50 N/C
c)
70 N/C
d)
30 N/C
5.

Een geïoniseerd atoom met lading +1 bevindt zich in een elektrisch veld. De veldsterkte op de plaats van het atoom bedraagt 500 kN/C. Bereken de grootte van de elektrische kracht die het atoom ondervindt.

a)
8e-14 N
b)
2e-14 N
c)
1e-13 N
d)
5e-14 N
6.

Op een afstand van 0,53 m van een geladen bol bedraagt de veldsterkte 43,0 N/C. Bereken hoe groot de veldsterkte is op een afstand van 0,12 m van de bol.

a)
50,0 N/C
b)
1200,5 N/C
c)
600,2 N/C
d)

839 N/C

7.

Hieronder staan 3 uitspraken over elektrische veldsterkte. Welke van deze uitspraken zijn waar?

A In vacuüm is de veldsterkte altijd 0 N/C

B Bij een puntvormige lading neemt de grootte van de veldsterkte af naarmate de afstand groter wordt

C Fel en E hebben altijd dezelfde richting

a)

A

b)
B
c)

C

8.

Geïoniseerde atomen met lading +3 e en atoommassa van 14 u worden versneld in een elektrisch veld tussen twee geladen platen. Tussen de platen staat een spanning van 2,5 kV. Bereken de eind­snelheid van de atomen.

a)

3.2e5 m/s

b)
3.6e6 m/s
c)
1.0e7 m/s
d)
2.5e5 m/s
9.

De spanning tussen de pluspool en de minpool van de batterij in bovenstaande schakeling bedraagt 9,0 V. Bereken hoeveel elektrische energie er door het lampje is omgezet in licht en warmte als er 3,5 C aan lading door de stroomkring is gestroomd.

a)
31,5 J
b)
45 J
c)
27 J
d)
15 J
10.

Hieronder staan 3 uitspraken over magneten. Welke van deze uitspraken zijn waar?

A Alléén de noordpool van een magneet trekt metaal aan. De zuidpool stoot juist metalen af.

B Alléén de zuidpool van een magneet trekt metaal aan. De noordpool stoot juist metalen af.

C Als je een magneet doormidden breekt houdt je een losse noordpool en een losse zuidpool over

a)

A

b)

B

c)

C

d)

Geen

11.

Hieronder staan 3 uitspraken over magnetische veldlijnen. Welke van deze uitspraken zijn waar?

A De dichtheid van veldlijnen is een maat voor de sterkte van het veld

B Buiten een magneet lopen veldlijnen van N naar Z

C Veldlijnen lopen altijd op dezelfde afstand van elkaar

a)

A

b)

A, B

c)

A, B, C

d)

Geen

12.

In de draad in de afbeelding hierboven loopt stroom van links naar recht. Hoe lopen de magnetische veldlijnen op de plaatsen van het vraagteken?

a)
De magnetische veldlijnen lopen in het blad boven en onder de draad.
b)
De magnetische veldlijnen lopen uit het blad boven de draad en in het blad onder de draad.
c)
De magnetische veldlijnen lopen van rechts naar links.
d)
De magnetische veldlijnen lopen uit het blad onder de draad en in het blad boven de draad.
13.

Een magneet bevindt zich precies midden tussen twee identieke spoelen. De magneet ondervindt van de linkerspoel een kracht met een grootte van 30 N. Op een gegeven moment wordt ook de rechterspoel ingeschakeld. Wat is de grootte én de richting van de totale resulterende kracht op de magneet?

a)
60 N, geen richting
b)
30 N, naar links
c)
15 N, naar rechts
d)

60 N naar links

14.

Hierboven staan drie situaties waarbij een geladen deeltje of een stroomdraad door een magneetveld loopt. Bepaal voor elk van de drie situaties de richting van de lorentzkracht.

a)

Link, links, links

b)

rechts, rechts, rechts

c)

rechts, onder, rechts

d)

links, boven, recht

15.

Een 1-voudig geïoniseerd atoom beweegt met een snelheid van 3500 m/s door een homogeen magneetveld met een sterkte van 0,070 T. Bepaal de grootte van de lorentzkracht.

a)
2,50 x 10^-22 N
b)
1,25 x 10^-20 N
c)
4,00 x 10^-19 N
d)

3,9 x 10^-17 N

16.

Een stroomdraad loopt verticaal door een horizontaal magneetveld van 30 mT en ondervindt hierbij een lorentzkracht van 0,22 N. De lengte van het stukje draad dat zich in het magneetveld bevindt is 60 cm. Bereken de stroomsterkte door de draad.

a)
12,22 A
b)
8,75 A
c)
5,00 A
d)
15,50 A
17.

Zie afbeelding hierboven. Door een magneet op een schijf te monteren die draait met 20 rondjes per seconde wordt in een spoel een inductie­spanning opgewekt om een lampje te laten branden. Hieronder staat 3 uitspraken hierover. Welke van deze uitspraken zijn waar?

A Het lampje is op zijn felst op het moment dat de zuidpool recht voor spoel zit.

B Het lampje is op zijn felst op het moment dat de noordpool recht voor spoel zit.

C Het lampje brandt feller als de spoel dichter bij de schijf gezet wordt

a)

A,B, C

b)

A, B

c)

C

d)

B

18.

Een vierkant draadraam met zijden van 10 cm beweegt met een constante snelheid van 2,9 m/s naar een homogeen magneetveld met een sterkte van 90 mT. Hoe groot is de opgewekte inductie­spanning op het moment dat het draadraam het magneetveld in beweegt?

a)
0,0261 V
b)
0,035 V
c)
0,050 V
d)
0,015 V
19.

In een dynamo wordt spanning opgewekt door één van de spoelen met hieronder aangegeven aantal wikkelingen te laten draaien binnen een magneetveld (zie schematische tekening hierboven). In 6,0 ms stijgt de magnetische flux in de spoel met 4,5·10-5 Wb. De spanning die op dit moment opgewekt wordt is 0,38 V. Bereken welke spoel gebruikt is.

a)

50 wikkelingen

b)
100 wikkelingen
c)
75 wikkelingen
d)
30 wikkelingen