Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Opbouw van organismen

Total questions: 25

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Zet de organisatieniveaus in de juiste volgorde van klein naar groot.

a)

Cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme

b)

Orgaan, cel, weefsel, orgaanstelsel, organisme

c)

Organisme, orgaanstelsel, orgaan, weefsel, cel

d)

cel, orgaan, weefsel, orgaanstelsel, organisme

2.

Hier zie je een voorbeeld van een ...

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

3.

Is alleen de mens gemaakt uit cellen?

a)

Ja, alleen mensen zijn gemaakt uit cellen.

b)

Nee, alle levende wezens zijn gemaakt uit cellen.

c)

Nee, alleen planten zijn gemaakt uit cellen.

d)

Ja, alleen mensen en vissen zijn gemaakt uit cellen.

4.

Waarom is het belangrijk dat cellen er anders uit kunnen zien?

a)

Omdat ze verschillende taken hebben

b)

Omdat ze allemaal hetzelfde doen

c)

Omdat ze allemaal rood zijn

d)

Er bestaan geen verschillende cellen

5.

Wat is de basiseenheid van elk organisme?

a)

De cel

b)

Het hart

c)

De hersenen

d)

Het bloed

6.

Waarom wordt de cel de basiseenheid van elk organisme genoemd? (Kies het beste antwoord)

a)

Omdat het de kleinste levende bouwsteen is

b)

Omdat het het grootste deel van het lichaam is

c)

Omdat het alleen in planten voorkomt

d)

Omdat het DNA heeft

7.

Waarmee kun je cellen onderzoeken?

a)

Met een lichtmicroscoop.

b)

Met een vergrootglas.

c)

Met een telescoop.

d)

Met een liniaal.

8.

Wat zijn "celorganellen"?

a)

Dat zijn verschillende cellen samen.

b)

Dat zijn organen die uit één soort cel bestaan.

c)

Dat zijn de delen waaruit een cel is opgebouwd

d)

Alle organen die uit cellen bestaan.

9.

Wat is een belangrijk verschil tussen een plantencel en een dierlijke cel?

a)

Een plantencel kan zijn eigen energie maken door fotosynthese

b)

Een dierlijke cel kan fotosynthese doen

c)

Een plantencel heeft geen organellen

d)

Een dierlijke cel vormt de basis van een plant

10.

Waarom is het handig voor planten dat ze hun eigen energie kunnen maken?

a)

Omdat ze dan niet afhankelijk zijn van andere organismen voor energie

b)

Omdat ze dan sneller kunnen rennen

c)

Omdat ze dan zuurstof produceren.

d)

Omdat ze dan niet hoeven te drinken

11.

Zowel dierlijke als plantaardige cellen hebben een celkern. Waarom is de celkern belangrijk voor de cel?

a)

Omdat de celkern de instructies voor alle celactiviteiten bevat

b)

Omdat de celkern de cel laat bewegen

c)

Omdat de celkern de cel laat groeien

d)

Omdat de celkern de cel laat ademen

12.

De celkern kan je vergelijken met...

a)

de controlekamer

b)

de deurwachter

c)

de energiecentrale

d)

een bladgroenkorrel

13.

Welke structuur biedt bescherming en structurele ondersteuning aan zowel dierlijke als plantaardige cellen?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Mitochondriën

d)

Vacuole

14.

Waarom 'zweven' organellen in het celplasma?

a)

Omdat het celplasma vloeibaar is

b)

Omdat organellen kunnen vliegen

c)

Omdat het celplasma hard is

d)

Omdat organellen magnetisch zijn

15.

Kijk naar de afbeelding. Welke tekst komt overeen?

a)

Afbeelding van een plantaardige cel

b)

Afbeelding van een dierlijke cel

c)

Afbeelding van een celkern

d)

Afbeelding van een orgaan

16.

Een plantaardige cel heeft een celwand en een dierlijke cel niet.

a)

Juist

b)

Fout

17.

Een dierlijke cel heeft een vacuole en een plantaardige cel niet.

a)

juist

b)

fout

18.

Je kan het celmembraan vergelijken met...

a)

De security die aan de deur staat

b)

De controlekamer

c)

de energiecentrale

19.

De vacuole in een plantaardige cel zorgt voor ...

a)

stevigheid en opslag van stoffen

b)

het bewaren van DNA

c)

Het aanmaken van energie

20.

Welk celorganel is belangrijk voor de energie?

a)

de celkern

b)

een mitochondrion

c)

de vacuole

d)

de celwand

21.

Cel, (a)   , orgaan, orgaanstelsel, organisme

22.

De kleinste levende bouwsteen van een organisme is de

(a)  

23.

Het brein is een voorbeeld van een (a)   (organisatieniveau)

24.

cel, weefsel, orgaan, (a)   , organisme

25.

Op de foto zie je een voorbeeld van een ...

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel